Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.4.3.2
4.4.3.2 Waardering op de fiscale openingsbalans
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630624:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
J.W.J. de Kort, NDFR commentaar bij hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel M, lid 1 Invoeringswet Wet IB 2001.
Freudenthal, pagina 185.
Besluit van 9 maart 2001 nr. RTB2001/947M, BNB 2001/251.
Zie Rechtbank Breda 19 april 2007, nr. 06/2199, NTFR 2007/1387 en Hof Amsterdam 2 april 2008, nr. 07/00219, NTFR 2008/1708.
Volledigheidshalve merk ik op dat in casu een wettelijke bepaling (artikel AJ lid 1 Invoeringswet Wet IB 2001) van toepassing was die voorschreef dat de vermogensbestanddelen moesten worden gewaardeerd op waarde in het economische verkeer. Ook zonder deze wettelijk bepaling zou de uitkomst mijns inziens hetzelfde zijn.
Bruijsten merkt op dat voor overheidsondernemingen die met ingang van 1 januari 2016 belastingplichtig zijn, het waarderingsvoorschrift van art. 33 Wet VPB 1969 (goodwillverbod) een knelpunt is. Doel en strekking van die bepaling lijken eraan in de weg te staan om bij de waardering van een onroerende zaak op de openingsbalans rekening te houden met een eventuele overrentabiliteit van de onderneming waarin die onroerende zaak worden aangewend. Het is zijns inziens dan ook de vraag of een waardering op basis van de netto-inkomsten zoals bij andere dan zelfstandige opbrengstdrager wel houdbaar is. Bruijsten 2016-2.
Zie ook de noot van Heithuis bij noot onder HR 9 juli 2010, nr. 09/02649, BNB 2010/302. Zijns inziens moet voor de berekening van de blote-eigendomswaarde per 1 januari 2001 als uitgangspunt worden genomen de waarde van de tbs-vermogensbestanddelen per het moment waarop het genotsrecht/de blote-eigendomssituatie is ontstaan.
Heithuis gebruikt het volgende voorbeeld: ‘Stel dat op 1 januari 1986 een genotsrecht voor de maximale duur van 30 jaren is gevestigd op een onroerende zaak met een volle-eigendomswaarde van € 1 000 000. Stel dat de waarde van dit genotsrecht kan worden gesteld op 75% = € 750 000; de blote eigendom bedraagt dan € 250 000. Stel vervolgens dat de waarde van de onroerende zaak in 15 jaren tot 1 januari 2001 is gestegen tot € 1 500 000. Op 1 januari 2001 bedraagt de resterende duur van het genotsrecht 15 jaren. Ik ga gemakshalve uit van een lineaire toerekening van de waardevermindering van het genotsrecht over de diverse jaren, derhalve 2,5% = € 25 000 per jaar. Op 1 januari 2001 - op de helft van de looptijd van het genotsrecht - is de blote eigendom volgelopen van € 250 000 naar € 625 000. Uitwerking 1 op basis van werkelijke waarde onroerende zaak per 1 januari 2001. Op 1 januari 2001 is de werkelijke waarde van de onroerende zaak € 1 500 000. De resterende duur van het genotsrecht bedraagt op 1 januari 2001 15 jaren, wat overeenkomt met een waarde van 37,5% = € 562 500; de blote eigendom bedraagt dan € 937 500. De jaarlijkse bijtelling van de blote eigendom vanaf 1 januari 2001 bedraagt vervolgens € 37 500 per jaar, te weten € 562 500 / 15 jaren. Na 30 jaren - er 'for argument's sake' vanuit gaande dat vanaf 1986 deze bijtelling ook reeds gold - heeft de blote eigenaar dan in totaal bijgeteld (15 * € 25 000) + (15 * 37 500) = € 375 000 + € 562 500 = € 937 500. Uitwerking 2 op basis van de werkelijke waarde onroerende zaak per 1 januari 1986.Op 1 januari 1986 bedroeg de werkelijke waarde van de onroerende zaak € 1 000 000. De waarde van het genotsrecht bedroeg € 750 000. De resterende duur van het genotsrecht bedraagt op 1 januari 2001 15 jaren, wat overeenkomt met een waarde van 37,5% = € 375 000. De blote eigendom bedraagt op 1 januari 2001 € 1 500 000 -/- € 375 000 = € 1 125 000. De jaarlijkse bijtelling van de blote eigendom vanaf 1 januari 2001 bedraagt vervolgens € 25 000 per jaar, te weten € 375 000 / 15 jaren. Na 30 jaren - opnieuw er 'for argument's sake' vanuit gaande dat vanaf 1986 deze bijtelling ook reeds gold - heeft de blote eigenaar dan bijgeteld (15 * € 25 000) + (15 * 25 000) = € 375 000 + € 375 000 = € 750 000. Wat men dus ziet, is dat in uitwerking 1 de bijtelling voor de blote eigenaar in totaal over de totale duur van het genotsrecht € 937 500 bedraagt. Dit is € 187 500 meer dan de waarde van het genotsrecht ten tijde van de vestiging ervan en de blote eigenaar moet dit extra bedrag dus ook de resterende 15 jaren van het genotsrecht bij zijn inkomen tellen, belast in box 1.’
Zie ook Boer commentaar bij NTFR 2016/655 en het commentaar van Meussen bij FED 2016/44. Meussen betoogt in zijn commentaar op het arrest in FED 2016/44 dat als de prijs van het gebruiksrecht marktconform zou zijn, er ook een hoger bedrag als resultaat jaarlijks bij belanghebbende belast zou zijn, en er ook een hoger bedrag jaarlijks bij de BV aftrekbaar zou zijn. Het uiteindelijk te zijner tijd bij belanghebbende te belasten voordeel uit onderrendement loopt nu niet synchroon met een terzake te constateren aftrekbedrag bij de BV zodat er in zoverre geen sprake is van zogenoemde ‘communicerende vaten’.
A-G Niessen merkte in zijn conclusie bij voornoemd arrest nog expliciet op dat de ‘instapwaarde’ in een geval waarin een onroerende zaak al vóór 1 januari 2001 (datum invoering bepaling) was verhuurd, lager kan zijn dan de waarde welke geldt ingeval de openingsbalans van de werkzaamheid wordt opgemaakt op het moment van aanvang van de terbeschikkingstelling. De onredelijkheid van dit verschil is zijns inziens niet toereikend voor een andersluidende beslissing op de voet van een redelijke wetstoepassing.
Zie ook Heithuis in zijn noot bij BNB 2013/158: ‘Overigens begrijp ik belanghebbendes ongenoegen wel, als hij in zijn cassatieberoepschrift stelt dat, als hij de verpachting één dag vóór 1 januari 2001 (30 december 2000) – de datum van invoering van de tbs-regeling – had beëindigd, hij de waardeaangroei van de blote eigendom naar de volle eigendom belastingvrij had getoucheerd. Had de beëindiging van de verpachting daarentegen één dag na 1 januari 2001 (2 januari 2001) plaatsgevonden, dan was hij, net als nu overigens, vol belast geweest voor deze waardestijging. Hoewel dit inherent is aan de inwerkingtreding van de tbs-regeling en het daarbij getroffen overgangsrecht in hoofdstuk 2 art. 1 onderdeel AJ lid 1 Invoeringswet Wet IB 2001, hardvochtig is het wel.’
Kamerstukken, II 1998/1999, 26 728, nr. 3.
Zoals beschreven, is de Wet IB 2001 op 1 januari 2001 in werking getreden. In artikel 3.94 Wet IB 2001 is bepaald dat het resultaat uit een werkzaamheid het bedrag is van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid. Bij deze sfeerovergang zal dus een fiscale openingsbalans moeten worden opgesteld, waarop de vermogensbestanddelen op de waarde in het economische verkeer worden gewaardeerd.
In artikel I, onderdeel M, lid 1 Invoeringswet Wet IB 2001 is expliciet bepaald dat vermogensbestanddelen die bij het einde van het kalenderjaar 2000 niet behoorden tot het vermogen van een onderneming en bij het begin van het kalenderjaar 2001 ten gevolge van de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, moeten worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. De wet regelt niet hoe moet worden omgegaan met de vermogensbestanddelen die wel tot het vermogen van de onderneming van de belastingplichtige behoorden. De Kort geeft aan dat, redenerend op basis van de systematiek van het winstregime, de overgang van een onderneming naar een werkzaamheid aanleiding zal zijn om in de winstsfeer af te rekenen over het verschil tussen de waarde in het economische verkeer op het overgangstijdstip en de boekwaarde. Voor de openingsbalans van de werkzaamheid zou dit ertoe leiden dat het bestanddeel (als het ware) automatisch moet worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer zonder dat daarvoor een bijzondere (overgangs)regel nodig is. Zo beschouwd, kan zijns inziens de vraag worden gesteld wat dan de betekenis is van de bedoelde toevoeging.1 Freudenthal stelt dat hiermede (a contrario) wellicht een verplichte doorschuiving wordt voorgeschreven, maar voegt daar direct aan toe dat dit hem weinig voor de hand liggend lijkt en dat aannemelijk lijkt dat wel zal moeten worden afgerekend. Freudenthal en De Kort trekken mijns inziens terecht de conclusie dat deze uitzonderingsbepaling 'zinledig' is.2
Ook bij deze sfeerovergang geldt derhalve de hoofdregel dat de vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer op de fiscale openingsbalans. Hierna bespreek ik enkele opvallende punten omtrent de waardering op de openingsbalans die bij deze sfeerovergang aan de orde zijn gekomen.
Waardering onroerende zaken
Om discussies omtrent de waardering te voorkomen, heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat voor het vaststellen van de waarde in het economische verkeer op de openingsbalans, de onroerende zaken mochten worden gewaardeerd tegen de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 1999, verhoogd met 20%. Dit betrof een keuze, belastingplichtigen konden er ook voor kiezen om niet uit te gaan van deze waardering. Wanneer bij de waardering op de openingsbalans niet wordt uitgegaan van de WOZ-waarde, dan kon de waardeontwikkeling vanaf de datum van aankoop tot 1 januari 2001 niet afgeleid worden uit het percentage van 20%.34 Aangezien de praktijk leert dat de waardering complex is, meen ik dat de praktijk bij dergelijke praktische afspraken is gebaat. Door dit als optie te formuleren en niet als verplichting, wordt ook recht gedaan aan de situaties waarin specifieke omstandigheden spelen.
Gebruiksrecht
De vraag hoe met een gebruiksrecht moet worden omgegaan op de fiscale openingsbalans is eveneens onderwerp van discussie geweest. Uit het in paragraaf 3.6.1 aangehaalde arrest HR 18 november 2011, nr. 10/04352, BNB 2012/6 blijkt dat op de openingsbalans rekening moet worden gehouden met de invloed van het bestaan van een gebruiksrecht dat werking zou hebben voor (markt)gegadigden voor die onroerende zaak.5 Bij een ongunstig huurrecht is hierdoor sprake van een lagere waardering en bij een gunstig huurrecht is sprake van een hogere waardering op de openingsbalans.6 Het voorgaande leidt ertoe dat het verschil tussen de contante waarde van een marktconforme huurprijs ten tijde van sfeerovergang en de daadwerkelijke huurprijs volledig wordt toegerekend aan de periode voor aanvang van de werkzaamheid.
Vanuit de literatuur is er kritisch op deze uitkomst gereageerd. Heithuis heeft in zijn noten bij HR 9 juli 2010, nr. 09/02649, BNB 2010/302 en HR 1 maart 2003, 11/00538, BNB 2003/158 betoogd dat bij de waardering op de fiscale openingsbalans moet worden uitgegaan van de waarde van een pachtrecht op het moment van vestiging en niet op het moment van invoering van de terbeschikkingsstellingsregeling (het moment van de sfeerovergang).7 Hij illustreert dit aan de hand van het volgende voorbeeld:
Gegevens
Volle eigendom ten tijde van de aankoop op 1 januari 1986
€
1.000.000
Genotsrecht 30 jaar (75%)
€
750.000
Blooteigendom
€
250.000
Waarde in het economische verkeer 1 januari 2001 volle eigendom
€
1.500.000
Genotsrechten 15 jaar (37,5%)
€
562.500
Blooteigendom
€
937.500
Indien de onderneming altijd belastingplichtig was
Op basis van wev 1-1-2001
Op basis van de werkelijke waarde onroerende zaak per 1-1-1986
€ 750.000
€ 562.500
€ 375.000
Als wordt uitgegaan van de werkelijke waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2001 (moment van sfeerovergang), dan is de bijtelling van het blooteigendom in de belaste periode € 37.500 per jaar (in totaal € 562.500). Als daarentegen wordt uitgegaan van de werkelijke waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1986 (moment van vestigen genotsrecht), dan bedraagt de belaste bijtelling in zijn voorbeeld € 25.000 per jaar (in totaal € 375.000).8 Zijns inziens is de tweede uitwerking de juiste. Hij betoogt dat een onroerende zaak waarop een genotsrecht rust, moet worden vergeleken met een verhuurde onroerende zaak. De waardestijging van de onroerende zaak gaat uitsluitend de verhuurder aan en niet (ook) de huurder. Hij pleit er vervolgens voor om het blote eigendom aldus 'in twee gedeelten' te administreren. Ook Boer heeft zijn vraagtekens bij het arrest geplaatst. Boer betoogt in zijn commentaar op het arrest in NTFR 2015/2013 dat deze lagere openingsbalanswaardering bepaald onredelijk kan worden genoemd, omdat slechts aftrek bij de vennootschap is geclaimd tot het bedrag van de (te) lage vergoeding voor deze genotsrechten. Bekeken vanuit de anti-arbitragedoelstelling van de tbs-regeling heeft belanghebbende zijns inziens een valide punt, maar vanuit de andere doelstelling van de tbs-regeling – gelijkstelling van resultaatgenieters en ondernemers – is het in aanmerking nemen van autonome waardestijgingen een inherente consequentie van het regime. Boer is van mening dat vanuit de anti-arbitragedoelstelling van de tbs-regeling, de benadering van Heithuis de voorkeur verdient. Vanuit de ondernemersparallel ligt het zijns inziens meer voor de hand om juist wel uit te gaan van de waarde in het economische verkeer op het moment van de sfeerovergang.9
Ook uit dit arrest blijkt dat de openingsbalans onredelijk kan uitwerken.1011 Ik deel de visie van Heithuis dat het principieel beter is als was gekeken naar het moment waarop het gebruiksrecht was gevestigd. In dat geval zal een bedrag ad € 375.000 worden belast. Het is dan ook te betreuren dat de Hoge Raad deze onredelijkheid niet meeneemt in zijn overweging en slechts de algemene regel van waardering tegen waarde in het economische verkeer herhaalt. Ook hier geldt echter wel dat de wetgever had moeten zorgen voor adequaat (overgangs)recht en deze onredelijkheid had moeten verhelpen.
Uitzondering als een heffingslek dreigt
In de Invoeringswet Wet IB 2001 zijn in artikel I onderdeel M, lid 1 op de hoofdregel, dat moet worden gewaardeerd tegen de waarde in het economisch verkeer, uitzonderingen gemaakt voor bepaalde rechten en voor vermogensobjecten die onder de Wet IB 1964 reeds als kosten in aanmerking zijn genomen. Deze uitzonderingen zijn opgenomen om te voorkomen dat er een dubbele aftrek zou ontstaan of voordelen geheel buiten de heffing zouden blijven. Deze situatie kon zich voordoen als gevolg van de verschillende fiscale behandelingen onder de Wet IB 1964 en de Wet IB 2001.
In artikel I onderdeel M, lid 2, sub a Invoeringswet IB 2001, is tevens geregeld dat voor bepaalde rechten een afwijkende waarderingsgrondslag geldt. De waardering van deze vermogensbestanddelen vindt plaats tegen de aanschaffings- of voortbrengingskosten verminderd met het gedeelte daarvan dat onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als kosten, daaronder begrepen lasten en afschrijvingen, in aanmerking is genomen. Dit omdat de waarde van deze vermogensbestanddelen is ontstaan door arbeidsinspanningen waarover nog geen belastingheffing heeft plaatsgevonden, omdat deze onder de oude wet niet tot het ondernemingsvermogen behoorden. Activering tegen de waarde in het economische verkeer zou bij deze vermogensbestanddelen volgens de staatssecretaris tot gevolg hebben dat afgeschreven zou kunnen worden over bedragen die niet tot belastingheffing geleid hebben.12 De staatssecretaris merkt hierbij op dat deze systematiek in het verlengde ligt van de jurisprudentie omtrent het inbrengen van activa vanuit de sfeer van inkomsten uit arbeid naar de winstsfeer (BNB 1994/178 en BNB 1997/404). Deze arresten heb ik reeds besproken in paragraaf 3.3.
De afwijkende waarderingsvoorschriften in de situatie dat anders een heffingslek ontstaat, passen binnen de door de Hoge Raad geformuleerde regels bij een sfeerovergang en onderschrijf ik. Mijns inziens moet de wettekst worden beschouwd als een verduidelijking en codificatie van de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Vooruitbetaalde kosten
Bij de invoering van de terbeschikkingstellingsregeling ex artikel 3.91 Wet IB 2001 zijn op de hoofdregel dat ook transitorische posten moeten worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer, enkele uitzonderingen gemaakt. In het besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M, BNB 2002/50 heeft de staatssecretaris namelijk goedgekeurd dat achteraf betaalde kosten toch in aftrek kunnen worden gebracht;
‘Op grond van de wettelijke bepalingen zijn de kosten niet aftrekbaar. In het jaar 2000 niet omdat in dit jaar geen tijdstip gelegen is waarop de kosten volgens artikel 38 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking kunnen worden genomen. In het jaar 2001 niet, omdat dan, op basis van artikel 3.95, juncto artikel 3.25 van de Wet IB 2001, goed koopmansgebruik bepalend is voor het tijdstip van aftrek van de kosten. Goedgekeurd wordt dat de desbetreffende kosten in 2001 in aftrek worden gebracht door middel van het achterwege laten van passivering van de kosten op de openingsbalans per 1 januari 2001. ’
In hetzelfde besluit heeft de staatssecretaris tevens goedgekeurd, dat vooruit ontvangen huur niet gepassiveerd hoeft te worden indien hierdoor dubbele heffing ontstaat:
‘De vooruitontvangen huur is in het jaar 2000 in de heffing betrokken op grond van artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In het jaar 2001 zou de vooruitontvangen huur nogmaals in de heffing worden betrokken op basis van artikel 3.94 van de Wet IB 2001. Indien zich een dergelijke situatie zich voordoet, keur ik voorzover nodig goed dat passivering van de vooruitontvangen huur op de openingsbalans achterwege kan blijven.’
Ook dit leidt tot een consistente uitkomt, omdat zo dubbele heffing wordt voorkomen.
De staatssecretaris heeft voor de terbeschikkingstelling derhalve expliciet goedgekeurd dat van de hoofdregel mag worden afgeweken als hierdoor dubbele heffing ontstaat. Mijns inziens vloeit dit ook voort uit onder andere BNB 1994/178 (paragraaf 3.3.2). De Hoge Raad heeft immers overwogen dat geen waardering tegen waarde in het economische verkeer kan plaatsvinden als hierdoor een heffingslek optreedt. Een evenwichtige toepassing van deze rechtsregel brengt met zich mee dat ook in de omgekeerde situatie, wanneer dubbele heffing ontstaat, geen waardering tegen waarde in het economische verkeer hoeft plaats te vinden.