Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/7.7
7.7 Opschorting; samenloop met onmiddellijke voorzieningen betreffende aandelentransacties en managementovereenkomsten
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196964:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6:52 BW e.v. houden de algemene regeling in. Art. 6:262 BW e.v. bevatten de bepalingen voor wederkerige overeenkomsten. Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/2.1 en 2.2.
Asser/Sieburgh 6-I/273; Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/12.1. In dit hoofdstuk wordt vooral aandacht besteed aan de tekortschietende schuldenaar. Het opschortingsrecht wordt in dat licht behandeld.
Toerekening komt in 7.8 aan de orde.
Art. 6:52 lid 1 BW. Voor uitzonderingen zie Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/9.1-9.4.
In de samenhang ligt volgens Streefkerk de rechtsgrond voor opschorting (Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/6.1). Zie over de samenhang ook Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/ hfdst. 14.
Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/7.1 en 12.1.
Zie over variaties van de zekerheid die met opschorting wordt bewerkstelligd uitvoerig Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/7.2. Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2016/270. De schuldeiser die in afwachting van ontbinding zijn eigen verplichting opschort, ontleent daaraan de zekerheid dat hij na ontbinding geen vordering tot ongedaanmaking van zijn eigen prestatie hoeft in te stellen.
Art. 6:54, aanhef en onder b, BW.
Art. 6:264 BW. Voor dit onderzoek zijn wederkerige overeenkomsten interessant, zie nr. 216.
Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/7.2.a.
Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/3.1.
Opschorting door de rechtspersoon wordt niet besproken. Het uitgangspunt is hier immers dat de rechtspersoon in de nakoming van zijn verbintenis belemmerd wordt door een onmiddellijke voorziening. Dat is niet een omstandigheid die de rechtspersoon bevoegdheid of aanleiding geeft tot opschorting. Daarom wordt in deze paragrafen met opschorting telkens opschorting door de wederpartij van de rechtspersoon bedoeld.
Dan gebruikt hij opschorting als pressiemiddel; zie ook Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/7.1.
De rechtspersoon kan in theorie de onmiddellijke voorziening negeren en toch nakomen (nr. 250). Dan zijn overigens nieuwe obstakels denkbaar, bijvoorbeeld in de vorm van een met een dwangsom versterkt verbod door de voorzieningenrechter.
Vgl. nr. 232, 233, 235, 264 en 265.
Dat is een samenhangende verplichting uit een wederkerige overeenkomst. Zie daarover Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/14.2 en 14.3.
Een financiële noodsituatie kan ook om conversie van een lening vragen, zie bijv. OK 31 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BL3680, ARO 2010/6 (Inter Access).
Er zij op gewezen dat opschorting buiten het zicht van de (enquête)rechter kan blijven, vgl. Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/7.3.
In nr. 229. Voor (vergelijkbare) drijfveren om geen ontbinding na te streven zie nr. 265.
In de zaak HBG werd verboden uitvoering te geven aan de joint venture (OK 4 juli 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2476); zie voor het relevante deel van het dictum nt. 76 bij 8.5.3. In de zaak ABN Amro werd uitvoering van de Purchase and Sale Agreement verboden (OK 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, ARO 2007/79); zie voor relevante deel van het dictum nt. 93 bij 8.5.4.
Dat zou ook buiten de enquêterechtelijke bevoegdheid van de Ondernemingskamer vallen, zie nr. 58.
In hfdst. 9 komen deze overeenkomsten uitvoeriger aan de orde.
Hfdst. 9.
Het gaat hier steeds over opschorting door de wederpartij van de rechtspersoon. Voor de volledigheid wordt het volgende opgemerkt over opschorting door de rechtspersoon. De onmiddellijke voorziening van schorsing van een bestuurder heeft verschillende gevolgen. Een daarvan is dat de bestuurder zijn verplichting tegenover de rechtspersoon om werkzaamheden te verrichten niet na kan komen. (Daarnaast kan hij geen bevoegdheden gebruiken en geen rechten uitoefenen.) Als de Ondernemingskamer niet ingrijpt in de bezoldigingsverplichting van de rechtspersoon, blijft de bezoldigingsverplichting in stand. In 9.8 wordt dat uiteengezet. Bij de rechtspersoon zou de wens kunnen opkomen om zijn – met de niet verrichte werkzaamheden samenhangende – bezoldigingsverplichting op te schorten. Art. 6:54, aanhef en sub a, BW (Geen bevoegdheid tot opschorting bestaat voor zover de nakoming van de verbintenis van de wederpartij wordt verhinderd door schuldeisersverzuim) lijkt daaraan in de weg te staan. Bedacht moet worden dat de onmiddellijke voorziening is gericht tot de rechtspersoon en gerelateerd is aan twijfel aan zijn beleid en gang van zaken. De onmiddellijke voorziening zou kunnen worden aangemerkt als een verhindering in de nakoming door de bestuurder die opkomt aan de kant van de rechtspersoon, als bedoeld in art. 6:58 BW. Gevallen van opschorting van de bezoldigingsverplichting door de rechtspersoon zijn mij niet bekend.
[239] Een crediteur is onder omstandigheden bevoegd de nakoming van een eigen verplichting op te schorten als zijn schuldenaar de verbintenis niet nakomt.1 Niet nodig is dat de schuldenaar tekortschiet, het volstaat dat hij niet nakomt.2 Een toerekenbare tekortkoming van de schuldenaar is dus ook niet vereist.3 Wie de eigen verplichting opschort, moet een opeisbare vordering hebben op zijn wederpartij.4 Er moet ‘voldoende samenhang’ bestaan tussen de niet nagekomen verplichting van de schuldenaar en de opgeschorte prestatie van de schuldeiser.5 De opschortingsbevoegdheid is een verweermiddel, dat kan worden ingeroepen door de partij van wie de vordering niet voldaan wordt. Wie zijn verplichting bevoegd opschort, schiet niet tekort als hij niet nakomt.
Opschorting is niet bedoeld om een blijvende toestand in het leven te roepen. De partij die opschort, streeft doorgaans naar nakoming door zijn wederpartij. Met uitstel van de eigen verplichting oefent hij druk uit op zijn wederpartij om na te komen.6 Opschorting biedt daarnaast enige zekerheid voor het geval de wederpartij uiteindelijk niet nakomt, en dat niet-nakomen uitmondt in een verplichting van de wederpartij tot (vervangende) schadevergoeding of in ontbinding.7 Ook vooruitlopend op verrekening kan de schuldeiser zekerheid aan een opschorting ontlenen.
Bevoegdheid tot opschorting ontbreekt als nakoming van de verbintenis blijvend onmogelijk is.8 Deze hoofdregel geldt niet bij wederkerige overeenkomsten.9 Dan kan opschorting – zelfs als nakoming van de verbintenis door de wederpartij blijvend onmogelijk is – ook worden gebruikt als opstapje tot ontbinding.10
Contractspartijen kunnen van de wettelijke regeling afwijken. De opschortingsbevoegdheid kan worden uitgesloten, beperkt of uitgebreid.11
[240] Een schuldeiser zou van zijn opschortingsbevoegdheid gebruik kunnen maken in reactie op een door een onmiddellijke voorziening ingegeven tekortkoming van een rechtspersoon.12 Mogelijk beoogt de schuldeiser daarmee de rechtspersoon tot nakomen te bewegen voordat de voorziening expireert.13 Dat de schuldeiser dat doel met opschorting bereikt, lijkt me niet erg waarschijnlijk.14 Zekerheid dat de rechtspersoon ná expiratie van de voorziening zal nakomen, verkrijgt de schuldeiser niet door opschorting.
[241] De rechtspersoon blijft (tijdelijk) verstoken van de prestatie van de wederpartij, als die gebruik maakt van zijn opschortingsbevoegdheid. De rechtspersoon kan daardoor nadeel ondervinden.15 Dat nadeel zou het positieve effect, dat met de onmiddellijke voorziening wordt beoogd, teniet kunnen doen. Als opschorting waarschijnlijk is en het nadeel ervan groter is dan voordeel van de voorziening, ligt het voor de hand dat de Ondernemingskamer afziet van de maatregel. Een mogelijke of dreigende opschorting met een relatief gering nadelig effect voor de rechtspersoon hoeft de rechter niet te weerhouden van de onmiddellijke voorziening.
In geval van aandelentransacties zou opschorting van een eigen verplichting door de wederpartij de rechtspersoon voor forse problemen kunnen plaatsen. Als de rechtspersoon zich heeft verbonden om aandelen in een dochter te leveren of om aandelen in het eigen kapitaal uit te geven aan een wederpartij, hangt daarmee gewoonlijk een verplichting van die wederpartij samen – betaling van een koopprijs in geld of eigen aandelen, dan wel storting op de aandelen – waar de rechtspersoon veel belang bij heeft.16 Soms wordt de transactie door de rechtspersoon beschouwd als redding uit een benarde financiële situatie.17 Als de wederpartij zijn eigen verplichting opschort, in reactie op het uitblijven van de levering of emissie, blijft de rechtspersoon langer verstoken van die reddingsboei.
Opschorting bij door onmiddellijke voorzieningen verboden aandelentransacties heeft in de enquêterechtelijke praktijk geen problemen opgeleverd.18 In 7.4 zijn redenen genoemd om vorderingen tot nakoming achterwege te laten.19 Wellicht wordt om dergelijke motieven ook afgezien van opschorting. Een andere voor de hand liggende verklaring is dat partijen bij aandelentransacties gebruik maken van de mogelijkheid de opschortingsbevoegdheid uit te sluiten of te beperken.
Dat opschorting bij aandelentransacties in de praktijk geen problemen geeft, kan ook te maken hebben met het volgende. De onmiddellijke voorziening in dit soort gevallen pleegt zich niet te beperken tot de enkele verbintenis van de rechtspersoon; de maatregel strekt ertoe de (verdere) uitvoering van de gehele overeenkomst te verbieden.20 Zo’n verbod is gericht tot de rechtspersoon. De voorziening houdt over de verplichtingen van de wederpartij geen expliciete aanwijzingen in.21 Misschien moet het verbod tot ‘uitvoering van de overeenkomst’ zo worden verstaan, dat het in ontvangst nemen door de rechtspersoon van de prestatie van de wederpartij er onder is begrepen. Als die lezing juist is, is het uitblijven van de prestatie van de wederpartij in de voorziening ingecalculeerd. De nadelen daarvan wegen dan kennelijk in de ogen van de Ondernemingskamer niet op tegen de voordelen van de onmiddellijke voorziening.
[242] Tussen rechtspersonen en hun bestuurders zijn vaak managementovereenkomsten van kracht, waarin de aanspraak van de bestuurder op een management fee is geregeld.22 In 4.3.1 is gewag gemaakt van onmiddellijke voorzieningen die strekken tot schorsing van bestuurders. Het komt voor dat bij zo’n maatregel wordt bepaald dat de rechtspersoon geen management fee verschuldigd is.23 Dat leidt ertoe dat de rechtspersoon tekort zal schieten in zijn verplichting om de managementvergoeding te voldoen. Moet de Ondernemingskamer er in zulke gevallen rekening mee houden, dat de rechtspersoon nadelige gevolgen ondervindt doordat de bestuurder zijn verplichting opschort? Het antwoord is nee. Formeel zou de bestuurder, in reactie op het uitblijven van de betaling van de vergoeding door de rechtspersoon, zijn eigen prestatie kunnen opschorten. Die prestatie bestaat uit zijn bestuurderswerkzaamheden. De schorsing van de bestuurder is er echter juist op gericht dat hij zijn werkzaamheden tijdelijk staakt. Opschorting door de bestuurder is daarom in zulke gevallen zinledig.24 Dat verklaart waarom opschorting door bestuurders in zulke gevallen achterwege blijft.25