Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.4.4.0
9.4.4.0 Introductie
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977099:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ibid.
Initiatiefwetsvoorstel-Hamer c.s., Kamerstukken II 2004/05, 29666. Inwerkingtreding van de Wet van 9 december 2005 per 1 februari 2006, Stb. 2006, nr. 36 (art. 8 lid 3b Wpo,11 lid 3b Wec en 17b Wvo); Dijkstra e.a. 2010, p. 24; M. Vermeulen (vz) e.a. 2019, p. 13-16.
Kamerstukken II 2005/06, 29666, nr. 3, mvt; J. Wienen, ‘Laat groepen aansluiting vinden bij onze gemeenschap’, CDV Winter 2017, p. 94-95.
Art. 13-14 Wpo, 21-22 Wec, 24-24a Wvo; vgl. F. Geijsel, ‘Burgerschap: van saai naar spannend’, Didactief 2013, 5, p. 35, G. ten Dam, ‘De balans tussen uniformiteit en variëteit’, in: Krachtige signalen, Utrecht: VOraad 2013, p. 46-53.
Commissie-Van de Donk 2008, p. 5, 76; Rapport De toekomst van de nationale rechtsstaat, Den Haag: WRR 2002, M. Scheltema, ´De toekomst van de rechtsstaat', NTB 2002, 9, Schuyt 2004, p. 143, N. Huls, ´Normen en waarden in de civil society?’ 2010, p. 160, Van Luyn sdb 2006, p. 145-157, Biesta 2011, Kranendonk e.a. 2019 en Tinnevelt e.a., ‘De democratische rechtsstaat in Nederland’, NJB 2023, p. 3375-3380.
Van der Pot/Donner 1968, p. 6.
Onderwijsraad, ‘Hoe vormt het onderwijs jongeren’, Jaarboekje 2010, p. 13-16.
Een basis voor burgerschap, Enschede: SLO 2006; vgl. Aan de slag met actief burgerschap: handreiking voor scholen PO en VO, ’s-Hertogenbosch: KPCgroep 2003.
In 2005 is in de Wet bevordering van actief burgerschap en sociale integratie de burgerschapsopdracht vastgelegd.1 Burgerschapsvorming bereidt voor op ‘de integratie en sociale cohesie, voor de versterking van de sociale binding in onze samenleving’.2 Aan deze wet liggen het initiatiefwetsvoorstel-Hamer c.s. (2004) en het wetsvoorstel bevordering actief burgerschap en sociale integratie (2005) ten grondslag.3 Bij de implementatie van de opdracht ligt de nadruk op actief burgerschap en sociale integratie, waardoor de sociaal culturele burgerschapsdimensie prevaleert boven de politiek-juridische.4 De uitvoering is aan de scholen, die zich in hun schoolplan en schoolgids moeten verantwoorden.5 Met het vastleggen van de burgerschapsopdracht moeten (toekomstige) burgers maatschappelijke en politieke kernwaarden leren én ernaar kunnen en willen handelen.6 Het is voor het welzijn van de samenleving en voor het in stand houden van de democratische rechtsstaat van groot belang dat burgers weloverwogen handelen in het belang van het algemeen welzijn (bonum commune)7 en daarvoor verantwoordelijkheid nemen.8
De op 1 februari 2006 in werking getreden Wet actief burgerschap en sociale integratie verplicht de scholen om actief burgerschap en sociale integratie te bevorderen, onder meer door leerlingen kennis te laten maken met de culturen en achtergronden van hun leeftijdsgenoten. Uit de wet blijkt dat de regering van mening is dat leerlingen gestimuleerd moeten worden om deel uit te maken van de gemeenschap en om een actieve bijdrage te leveren aan de maatschappij. Daartoe is het volgende in artikel 8 Wpo, 11 Wec en 17 Wvo oud vastgelegd:
‘Het onderwijs:
gaat er mede van uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving,
is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie en
is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten.’
‘Niet hoe, maar dat’
De burgerschapsopdracht uit 2006 regelt niet hóe scholen burgerschap moeten bevorderen, maar waarborgt dát scholen hun onderwijs hierop richten. Het gaat om een inspanningsverplichting, waarvoor de verantwoordelijkheid voor een herkenbare invulling bij de besturen ligt. Door de inspectie is in 2006 een toe-zichtkader ingevolge artikel 13 Wot vastgesteld. Het invullen van de burgerschapsopdracht en het toezicht daarop zijn hierin vastgelegd.
Aansluitend op deze wettelijke opdracht heeft de SLO in het leerplankader Actief burgerschap en sociale integratie in Een basis voor burgerschap drie kernbegrippen omschreven: (a) democratie, (b) participatie en (c) persoonsidentiteit. Bij het kernbegrip democratie staan de grondrechten en de besluitvormingsprocessen voorop, bij participatie de rol van de toekomstige (staats) burger en bij persoonsidentiteit de eigen houding en rol van de leerling in de samenleving.9 Hiertegen verzet zich niets, zolang de overheid geen mens-of maatschappijbeeld in de burgerschapsopdracht oplegt.