Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/9.1:9.1 Inleiding
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439125:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onderhavige studie handelt over forum (non) conveniens en forum necessitatis in het Nederlandse IPR. Hoofdstuk 1is een inleiding in de centrale thema's van deze studie, te weten de volgende open bevoegdheidsnormen: forum non conveniens, forum conveniens en forum necessitatis. Deze drie fora verschaffen de Nederlandse rechter een ruime beoordelingsvrijheid om van geval tot geval te bepalen of de uitoefening van rechtsmacht is gerechtvaardigd. Forum non conveniens ontneemt rechtsmacht die de Nederlandse rechter uit andere hoofde toekomt, terwijl forum conveniens en forum necessitatis juist rechtsmacht scheppen waar deze nog niet bestond. Op grond van forum non conveniens verklaart de formeel bevoegde Nederlandse rechter zich niettemin onbevoegd wanneer hij het Nederlandse forum gelet op de geringe aanknopingspunten van de zaak met de rechtssfeer van Nederland als 'ongeschikt' beschouwt, dan wel hij een buitenlands gerecht in een geschiktere positie acht om van de zaak kennis te nemen. Forum non conveniens kan geen rechtsmacht scheppen, noch voor de Nederlandse noch voor de buitenlandse rechter. Dat is anders bij het forum conveniens, dat in zekere zin het spiegelbeeld is van forum non conveniens. Ondanks het ontbreken van een in de wet geëxpliciteerd aanknopingspunt maakt forum conveniens de Nederlandse rechter toch bevoegd, indien de zaak voldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland heeft. In de regel is voor de uitoefening van rechtsmacht vereist dat de te behandelen zaak voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer heeft: 'geen binding, geen rechtsmacht'. Op dit uitgangspunt zijn evenwel uitzonderingen denkbaar, namelijk in de gevallen dat een gerechtelijke procedure in het buitenland onmogelijk blijkt. Om te voorkomen dat een `déni de justice' intreedt, verklaart de Nederlandse rechter zich in dat geval als een noodforum, ook wel forum necessitatis genoemd, bevoegd.
Deze studie richt zich primair op het Nederlandse IPR. In de eerste plaats behandel ik de positie van de drie genoemde fora in het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het tot 1 januari 2002 en het daarna geldende procesrecht. In hoofdstuk 2wordt aandacht besteed aan de introductie van forum non conveniens in het Nederlandse IPR (art. 429c Rv oud) en de toepassing van de toets van voldoende verbondenheid in de rechtspraak. Sinds 1 januari 2002 is in art. 1-14 Rv een algemene regeling inzake de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter neergelegd. De hoofdstukken 3, 4en 5handelen over de plaats die het forum (non) conveniens en het forum necessitatis in deze commune rechtsmachtregeling hebben gekregen. In de daarop volgende hoofdstukken wordt het onderzoek voortgezet op het terrein van het Europese IPR-bevoegdheidsrecht. Er wordt aandacht besteed aan de positie van forum non conveniens en forum necessitatis in twee voor de Nederlandse rechtspraktijk belangrijke EG-verordeningen: de Verordening Brussel 1Ibis (Vo-BILIbis) en de EEX-Verordening (EEX-Vo). In hoofdstuk 6staat de op het belang van het kind geënte forum non conveniens-variant van art. 15 VoBllbis centraal, terwijl in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de vraag naar de verenigbaarheid van het forum non conveniens-leerstuk met het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening. Ten slotte worden in een afsluitend hoofdstuk enige rechtsvergelijkende opmerkingen gemaakt over de Amerikaanse forum non conveniens-leer.