Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1046
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op personenauto onder klager t.z.v. verdenking van witwassen. Heeft Rb summier en voorlopig karakter van beklagprocedure miskend? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel gegrond. CAG: Rb heeft geoordeeld dat door klager voldoende inzichtelijk en aannemelijk is gemaakt hoe klager aan gelden is gekomen waarmee hij personenauto heeft gekocht en dat zijn verklaring hierover concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk wordt geacht. Rb lijkt hiermee van oordeel te zijn dat van verdenking van witwassen geen sprake meer is. Met het stellen van de in deze overwegingen besloten liggende eisen heeft Rb onvoldoende onderkend dat onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in hoofd- of ontnemingszaak. Rb heeft daarbij onvoldoende gemotiveerd waarom geen nader onderzoek meer noodzakelijk ‘lijkt’ of ‘hoeft’ te worden gedaan. Volgt vernietiging en terugwijzing.
HR 16-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1305
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 september 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, T.B. Trotman, R. Kuiper
- Zaaknummer
24/03758 B
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1305, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:886, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Essentie
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op personenauto onder klager t.z.v. verdenking van witwassen. Heeft Rb summier en voorlopig karakter van beklagprocedure miskend? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel gegrond. CAG: Rb heeft geoordeeld dat door klager voldoende inzichtelijk en aannemelijk is gemaakt hoe klager aan gelden is gekomen waarmee hij personenauto heeft gekocht en dat zijn verklaring hierover concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk wordt geacht. Rb lijkt hiermee van oordeel te zijn dat van verdenking van witwassen geen sprake meer is. Met het stellen van de in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.