RvdW 2025/1043:Medeplegen poging tot doodslag, art. 287 Sr. Redelijke termijn in hoger beroep. Is 16-maandentermijn of 2-jaarstermijn van toepassing, nu verdachte deel van behandeling in h.b. (2 jaren en ruim 8 maanden van in totaal 3 jaren en ruim 7 maanden) in voorlopige hechtenis verkeerde? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, m.b.t. beperkte toetsing in cassatie van oordeel van feitenrechter inzake redelijke termijn en gevallen waarin sprake is van overschrijding van redelijke termijn. Hof heeft vastgesteld dat redelijke termijn in h.b. is overschreden en heeft daarbij kennelijk tot uitgangspunt genomen dat verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevond, zodat behandeling van zaak in h.b. moest zijn afgerond binnen 2 jaren nadat rechtsmiddel was ingesteld. Nu uit gegevens (m.b.t. procesverloop in h.b.) blijkt dat verdachte zich tussen het instellen van h.b. en ’s hofs uitspraak gedurende meer dan 2 jaren in voorlopige hechtenis bevond, is dat uitgangspunt niet begrijpelijk. HR ziet hierin echter geen aanleiding voor verdere vermindering van de door hof opgelegde straf. Uit ’s hofs oordeel blijkt dat hof zonder termijnoverschrijding een gevangenisstraf van 5 jaren zou hebben opgelegd en dat het de duur van die straf met 6 maanden heeft verminderd. HR is van oordeel dat, ook uitgaande van overschrijding van redelijke termijn in h.b. met (niet ruim 19 maanden maar) ruim 27 maanden, een vermindering van duur van gevangenisstraf met 6 maanden volstaat als compensatie van die overschrijding. Volgt verwerping.