RvdW 2025/1041:Medeplegen diefstal met braak, art. 311 lid 1 onder 4 en art. 311 lid 1 onder 5 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid van herkenningen van verdachte door verbalisanten, art. 359 lid 2 Sv. 2. Bewijsklacht. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Met zijn bewijsoverwegingen heeft hof voldoende gerespondeerd op uos van verdediging over betrouwbaarheid van herkenningen. Hof heeft (door o.m. stil te staan bij het al dan niet bestaan van voorinformatie) ook gereageerd op de door verdediging gestelde ‘sturing’ in totstandkomingsproces van deze herkenningen. Dat hof mogelijk niet nadrukkelijk is ingegaan op alle omstandigheden die verdediging ter onderbouwing van dat standpunt naar voren heeft gebracht, maakt dit niet anders. Motiveringsplicht van art. 359 lid 2 Sv (tweede volzin) strekt immers niet zover dat op ieder detail van argumentatie die ten grondslag ligt aan uos moet worden ingegaan. Ad 2. Hof heeft niet overwogen dat omstandigheid dat verdachte in grijze personenauto is aangetroffen met medeverdachte de betrouwbaarheid van herkenningen ondersteunt maar heeft slechts overwogen dat het door deze omstandigheid wordt gesterkt in zijn overtuiging dat verdachte betrokken is geweest bij woninginbraak. Dat oordeel is verder niet onbegrijpelijk. Stelling dat herkenningen en gestelde betrokkenheid van verdachte onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat hof aldus in feite heeft overwogen dat aanwezigheid van verdachte in grijze personenauto bijdraagt aan betrouwbaarheid van herkenningen door verbalisanten, gaat niet op. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2025/1042.