De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.7.4:5.8.7.4 Uitzondering voor toelaatbaarheidsverklaring
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.7.4
5.8.7.4 Uitzondering voor toelaatbaarheidsverklaring
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949583:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook De Boer e.a. 2014, p. 75.
Artikel 40, achtste lid, van de Wpo, artikel 2.30, zesde lid en 2.43, vierde lid, van de Wvo en artikel 40, veertiende lid, van de Web.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 13 december 2017, ECLI:Nl:RVS:2017:3434, Rechtbank Amsterdam 17 december 2020, ECLIL:NL:RBAMS:2020:6364 en Rechtbank Midden-Nederland 7 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1591.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kennen of kunnenuitzondering is in principe van toepassing op alle besluiten in de zin van de Awb die de beoordeling van de onderwijsprestaties van een leerling inhouden. Op deze uitzondering heeft de wetgever een aanvullende uitzondering gemaakt in het kader van passend onderwijs.1 De kennen of kunnenuitzondering is niet van toepassing op een besluit over de toelaatbaarheid van een leerling tot een school voor onder meer speciaal basis- of voortgezet onderwijs.2 Door artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb niet van toepassing te verklaren op deze besluiten beoogt de wetgever bestuursrechtelijke rechtsbescherming open te stellen tegen deze besluiten.3 De leerling of zijn ouders kunnen hierdoor bezwaar en beroep instellen tegen de toelaatbaarheidsverklaring. Zonder deze aanvullende uitzondering waren zij aangewezen tot de burgerlijke rechter. Bij een geschil over een toelaatbaarheidsverklaring toetst de bestuursrechter voornamelijk of het genomen besluit voldoende is onderbouwd met onder meer verklaringen van deskundigen.4 Hoewel artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb niet van toepassing is op deze verklaring, is de bestuursrechter niet geneigd zelf de beoordeling die achter de toelaatbaarheidsverklaring ligt over te doen. Ook zonder de kennen of kunnenuitzondering laat de bestuursrechter het oordeel over het kennen of kunnen over aan de personen die daartoe de vereiste deskundigheid bezitten (zie over de nut en noodzaak van deze uitzondering uitgebreider § 7.4).