Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.4.6:2.3.4.6 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke veroordeling
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.4.6
2.3.4.6 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke veroordeling
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859186:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206, m.nt. Perrick (Velcea et Mazare/Roemenië).
Zie hierover uitgebreider par. 2.2.3.5. Zie ook De Vries & Leire, TE 2022/03, p. 67-69 waarin de kern van deze alinea is verschenen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 2.2.3.5 is uitgebreid stilgestaan bij de uitspraak de Roemeense erflater.1 Voor de feiten wordt naar deze paragraaf verwezen.
In deze uitspraak wordt door het EHRM een kwestie behandeld over moord gevolgd door zelfmoord. Niet is duidelijk of het EHRM tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen bij de minder zwaarwichtige feiten als genoemd in artikel 4:3 lid 1 sub b BW. In paragraaf 2.2.3.5 is geconcludeerd dat ook in die gevallen de bepaling conform haar doelstelling moet worden uitgelegd. Dit heeft tot gevolg dat onwaardigheid moet volgen als vaststaat dat een erfrechtelijke verkrijger een misdrijf heeft gepleegd jegens de erflater dat met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf is bedreigd, dan wel dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot, voorbereiding van of deelneming aan een dergelijk delict, maar onwaardigheid enkel en alleen zou worden ontlopen doordat zijn overlijden (om welke reden dan ook) een concrete veroordeling verhindert. Hierbij is niet van belang of family life in het geding is. Een misdraging als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub b BW moet dezelfde gevolgen hebben ongeacht wie de opvolgende erfrechtelijke verkrijger is.2