Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.5.4:7.5.4 Casuspositie 4: Voorbehoud bij het aangifteprogramma (BNB 2002/45)
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.5.4
7.5.4 Casuspositie 4: Voorbehoud bij het aangifteprogramma (BNB 2002/45)
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661505:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.3.2.1, 5.4.4, 5.4.5, 5.7, 6.2.1.5, 6.2.4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toepassing van het voorstel op de casus waarin de man zich beriep op de uitkomst van de berekening bij het aangifteprogramma, geeft een vergelijkbaar beeld, al speelt in deze casus de aanwezige disclaimer een relevante rol.
Toepassing van het afwegingskader laat zien dat de burger op basis van de vragen uit het aangifteprogramma (de tekst) een juiste interpretatie heeft gemaakt van de in te vullen gegevens en de uitkomst van de berekening. Tegelijkertijd was de verwoording van de bedoeling van de Belastingdienst niet adequaat, aangezien de berekeningswijze niet op een juridisch juiste wijze verliep. In dit geval waren er voor de burger geen adequate aanwijzingen voor twijfel, want de onjuistheid lag besloten in de aan het rekenprogramma ten grondslag liggende inhoudelijke opvattingen (die voor de gebruiker niet zichtbaar zijn). Overigens had de Belastingdienst wel een aanwijzing gegeven die was bedoeld om de verwachtingen van de burger te temperen, althans de Belastingdienst op dit punt te vrijwaren van een aanspraak daarop, in de vorm van het algemene voorbehoud onder de berekening dat aan de uitkomst ervan geen rechten kunnen worden ontleend. In zoverre had de Belastingdienst dus moeite gedaan om te voorkomen dat de burger op het verkeerde been werd gezet over het commitment van de Belastingdienst aan de uitkomst.
De aanwijzing is communicatief bezien echter niet adequaat. Immers, de man heeft dat voorbehoud naar eigen zeggen onderkend, maar het heeft hem er niet van weerhouden om vertrouwen te ontlenen aan de uitkomst van het rekenprogramma. Dat is, geobjectiveerd bezien, te verklaren: het voorbehoud was te algemeen, niet in verhouding tot de hoedanigheid van de afzender én niet coöperatief bedoeld. Het was bovendien geen aanwijzing om aan de kenbare bedoeling van de Belastingdienst in de gegeven uitkomst van de berekening te twijfelen. Een algemene disclaimer doet in geen geval af aan ontoelaatbaarheid van onjuistheid van de informatie.1 De interpretatie van de burger op basis van de tekst en de context is dus redelijk (stap I). Dat betekent dat hieraan rechtsgevolgen moeten worden verbonden (stap II). Dat zou er in dit geval, uitgaande van de huidige ‘alles of niets’-benadering van rechtsgevolgen, toe leiden dat aan de man geen aanslag mocht worden opgelegd. Bij een proportionele benadering zou moeten worden bezien op welke wijze in dit geval het beste recht kan worden gedaan aan het gewekte vertrouwen (nakoming, een alternatief?).
Alles afwegende, zou de burger in deze casus (ruimer) worden beschermd tegen de onjuiste informatie in (de uitkomst van) het rekenhulp bij het aangifteprogramma dan onder de huidige koers.