Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.5.8:7.5.8 Evaluatie
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.5.8
7.5.8 Evaluatie
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661602:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat levert de voorgestelde herijking in deze concrete casusposities op? In de eerste plaats is helder dat het voorstel meebrengt dat de verwachtingen die burgers ontlenen aan (‘slechts’) als voorlichting bedoelde uitingen serieuzer worden genomen, wat niet hetzelfde is als dat zij zonder meer hun zin krijgen. In casuspositie 3 en 7 is de uitkomst hetzelfde als onder geldend recht, maar om andere redenen. In casusposities 2, 4, 5 en 6 leidt het voorstel tot een andere uitkomst. In casus 1 leidt het gedeeltelijk tot een andere uitkomst, indien bij het bepalen van de rechtsgevolgen rekening wordt gehouden met het graduele karakter van het gewekte vertrouwen bij de autobezitter. In een geval als dit zou ook recht kunnen worden gedaan met een rechtsgevolg dat tussen ‘alles en niets’ in zit. Een genuanceerde(re) uitkomst is dan een verschil met de huidige koers.
In sommige gevallen is de toetsing van de redelijkheid van de verwachtingen van de burger relatief eenduidig (casusposities 2, 3 en 7). Dat zijn vooral de situaties waarin duidelijk is dat de voorlichting een onjuistheid bevat (verkeerd getal of verwijzing, of een situatie ontbreekt). In andere gevallen is de uitkomst van de redelijkheidstoets echter beduidend minder zwart-wit (casusposities 1, 4, 5, en 6). Opvallend in deze casusposities is dat de Belastingdienst niet zozeer foute informatie geeft (wat er wél staat is niet fout), maar de gegeven informatie is onvolledig of onduidelijk (casusposities 5 en 6), of er wordt een slag om de arm gehouden middels een algemeen of specifiek voorbehoud (casusposities 1 en 4). In dergelijke gevallen manifesteren zich de typische voorlichtingsrisico’s (paragraaf 2.6.1). Het verwachtingenconflict tussen de Belastingdienst en burger vindt zijn oorzaak in die situaties in de trade-off tussen juridische juistheid en begrijpelijkheid. Juist in die gevallen is de grens tussen onjuist, onduidelijk en onvolledig niet goed te trekken. Juist in die gevallen zijn afwegingen nodig om te bepalen of de voorlichting ‘redelijke’ verwachtingen heeft gewekt bij de burger.
De toegevoegde waarde van het afwegingskader laat zich bij de gevallen uit het grijze gebied, waarin voorlichting niet zozeer onjuist maar onvolledig of onduidelijk is, (extra) goed zien: het afwegingskader helpt om de bij de burger verwachtingen van de burger gestructureerd te beoordelen op hun redelijkheid. Dat vraagt afwegingen waarbij zowel de kant van de burger als die van de Belastingdienst worden betrokken.
Bovendien biedt het afwegingskader beter grip op concrete gevallen voor het bepalen van rechtsgevolgen. Vanuit communicatief oogpunt bleek dat een verwachting die in de gegeven context niet voor 100% redelijk is, ook niet voor 100% hoeft te worden nagekomen. Dat is mijns inziens een zeer relevant gegeven voor het belastingrecht, waarvoor een (nieuwe) wetenschappelijke onderbouwing wordt gegeven. Mede vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid en efficiëntie is het idee van een genuanceerde(re) benadering bij het bepalen van rechtsgevolgen nadere uitwerking waard (paragraaf 7.6.2.l). Daarbij zou een analyse van feitelijke rechtspraak bruikbare informatie kunnen opleveren ten opzichte van arresten van de Hoge Raad.