Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.5.5
7.5.5 Casuspositie 5: Het te eenvoudige formulier (BNB 2010/314)
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661596:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. r.o. 4.4 van de hofuitspraak bij BNB 2010/314: ‘Het Hof erkent het belang van handzame en in begrijpelijke taal opgestelde formulieren voor de burger en is van oordeel dat daarmee ook het belang van de overheid wordt gediend. Echter, het gevolg van deze werkwijze in het onderhavige geval is dat de Belastingdienst - profiterende van de voordelen van een eenvoudig formulier dat de burger zonder grote problemen kan invullen - op de koop toeneemt dat bij de groep van belastingplichtigen waartoe belanghebbende behoort, een algemene heffingskorting wordt uitbetaald waarvan op voorhand vaststaat dat deze ten onrechte wordt uitbetaald. De Belastingdienst heeft geen maatregelen genomen om een zodanige schending van het vertrouwen van deze groep belastingplichtigen tegen te gaan. Voorts kan niet zonder meer worden aangenomen dat de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert zo uitzonderlijk zijn, dat de Belastingdienst daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden.’
Dit volgt ook uit de oordelen van het Hof en de Hoge Raad, zie BNB 2010/314, r.o. 3.3.3-3.5.4.
Toepassing van het afwegingskader op de casus van de echtgenote die te goeder trouw was afgegaan op het aanvraagformulier voor voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting, laat zien dat zij in redelijkheid daaraan verwachtingen had ontleend (stap I).
Haar interpretatie op basis van de vragen uit het stroomschema is verklaarbaar en verdedigbaar, dus een redelijke interpretatie. Tegelijkertijd heeft de Belastingdienst weliswaar juiste, maar niet geheel volledige (want niet voldoende specifiek geformuleerde) vragen gesteld. Een juridisch relevante kwalificatie ontbrak (het ging om het in Nederland belaste inkomen). De Belastingdienst had zijn bedoeling dus niet adequaat verwoord om de burger op het juiste been te zetten bij het achterhalen van de bedoelde betekenis. Er waren voor de echtgenote geen duidelijke aanwijzingen dat de Belastingdienst iets anders bedoelde dan er stond; de onjuistheid van de uiting was niet kenbaar. Tegelijkertijd had de Belastingdienst het belang van extra informatie voor bepaalde belastingplichtigen (hier: de echtgenote) kunnen en moeten onderkennen (maxime van kwantiteit).1 Tegen lage ‘kosten’ (een toevoeging van enkele woorden) was te voorkomen geweest dat deze groep gebruikers op het verkeerde been zou worden gezet. De verwachting van de echtgenote over het handelen van de Belastingdienst op basis van haar interpretatie van het formulier in de gegeven omstandigheden was dus redelijk.2 Dat betekent dat hieraan rechtsgevolgen moeten worden verbonden (stap II). Uitgaande van de huidige ‘alles of niets’ benadering betekent dit dat de echtgenote de uitbetaalde heffingskorting en de heffingsrente niet hoeft terug te betalen. Bij een meer genuanceerde benadering zou moeten worden bezien op welke wijze jegens de echtgenote het beste recht kan worden gedaan aan haar gerechtvaardigde verwachtingen (hoe zwaar weegt haar belang bij volledige nakoming?).
Alles afwegende, zou de burger in deze casus (ruimer) worden beschermd tegen de onjuiste toelichting dan onder de huidige koers.