Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.4.2
11.2.4.2 Kritiek op de interpretatie van de Hoge Raad en BNB 2008/159
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940759:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614.
Zie omtrent de achtergrond van de KBLux-zaken paragraaf 7.3.6.2.2.
Naast de hier behandelde vraag over het nemo tenetur-beginsel ging de Hoge Raad ook in op een kwestie van onrechtmatig verkregen bewijs (zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.6.2 en paragraaf 11.4) en op de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de verlengde navorderingstermijn in buitenlandsituaties.
Ook speelde in de casus die leidde tot dit arrest een schriftelijke eigen verklaring een rol. Het gebruik daarvan was in cassatie echter niet meer in geschil.
Zie de behandeling van A-G Wattel in zijn Conclusie bij HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, par. 4.18 tot en met 4.22. Van zijn eigen worsteling deed hij reeds eerder kond in zijn Conclusie bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, par. 7.9 tot en met 7.13. Zie voorts Wijsman 2017, par. 7.3.2, Asbreuk 2012, de noot van Thomas bij EHRM 5 april 2012 (Chambaz), nr. 11663/04, FED 2012/77.
Behandeld bij de bespreking van het arrest J.B. versus Zwitserland in paragraaf 11.2.2.3 en van het arrest De Legé in paragraaf 11.2.3.3.
Zie voor de jurisprudentiële achtergrond van deze verbijzonderingen paragraaf 11.2.3. Zie ook Van Toor 2016, p. 35, die opmerkt dat real evidence volgens hem overeenkomt met bewijs dat onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat.
Conclusie bij HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, par. 4.17.
Vgl. ook zijn Conclusie bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225.
Zie HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, V-N 2001/37.3, NTFR 2001/985, FED 2001/502 en HR 27 juni 2001, BNB 2002/28 en de behandeling daarvan hiervoor in paragraaf 11.2.4.1.
HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, r.o. 3.3.2.
Zie paragraaf 11.2.2 en 11.2.3 hiervoor.
De Blieck e.a. 2011, p. 126-127 (zie met name noot 154). Dat zou ook in lijn zijn met het arrest De Legé van het EHRM, waarover nader in paragraaf 11.2.3.3. Zie voorts paragraaf 11.2.4.5 hierna.
Asbreuk 2008, par. 3. Vgl. ook HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, V-N 2001/37.3, NTFR 2001/985, FED 2001/502, r.o. 3.5.
Wijsman wijst ook op een inconsistentie op dit punt, maar volgens hem is die erin gelegen dat het Saunders-criterium steunt op de aard van het materiaal respectievelijk de geringe mate van dwang waarmee dergelijk materiaal gewoonlijk wordt verkregen, zie Wijsman 2017, p. 357 (noot 111).
HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, r.o. 3.3.3.
Inhoudende dat de sanctie van de omkering voor wat betreft de boete achterwege moet blijven en dat wél afgelegde verklaringen voor het bewijs van de boete moeten worden uitgesloten.
Zie HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, V-N 2001/37.3, NTFR 2001/985, FED 2001/502, r.o. 3.1.2 in verbinding met r.o. 3.4.
Wijsman wijst er evenwel op dat de Hoge Raad niet (uitdrukkelijk) toetste of de wettelijke informatieplicht de vereiste dwang impliceert, zie Wijsman 2017, p. 347. Dat is op zichzelf juist, maar de overwegingen zouden onbegrijpelijk zijn als de Hoge Raad als uitgangspunt zou hebben genomen dat de vereiste dwang niet aanwezig zou zijn geweest. Zie hierover nader paragraaf 16.4.1.2 en paragraaf 16.5.1.2.
HR 6 juni 2008, V-N 2008/27.4, BNB 2009/47, r.o. 3.5.1 e.v..
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, waarover nader in paragraaf 11.2.4.6 hierna. Zie ook paragraaf 11.2.5.1 hierna.
Zie paragraaf 11.2.2, alsmede hierna in paragraaf 11.2.5.1.
Zie bijvoorbeeld Asbreuk 2012, par. 2 in verbinding met par. 6, alsmede Asbreuk 2008, par. 2. Opvallend is dat de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19 over dit punt heen lijkt te stappen. Onder verwijzing naar BNB 2002/27 mag een wilsafhankelijke verklaring eenvoudigweg niet worden gebruikt voor het opleggen van een boete, aldus de Redactie.
CRvB 21 november 2012, NTFR 2012/2855, r.o. 6.7.1 en 6.7.3.
De toets aan de Allan-criteria maakt dat niet anders: uit de jurisprudentie van het EHRM komt juist naar voren dat het bestaan van een wettelijke sanctie in dat verband voldoende is (zie bijvoorbeeld het arrest O’Halloran en Francis, besproken in Bijlage I). Zie voorts paragraaf 11.2.5.1 en paragraaf 11.2.5.2. Vgl. ook Asbreuk 2008, par. 2.
Ook volgens Wijsman gaat het in het arrest Jalloh om de mate van dwang en niet om de verlangde medewerking. Dat laatste is bovendien niet relevant voor de wilsafhankelijkheid, zie Wijsman 2017, p. 358.
Te midden van de in paragraaf 11.2.3 beschreven golf van jurisprudentie van het EHRM heeft de Hoge Raad in BNB 2008/159 opnieuw van zich laten horen.1 In dit belangrijke arrest in het kader van een KBLux-zaak2 kwamen verschillende fiscale rechtsvragen aan de orde,3 waaronder de vraag of bankafschriften die de belastingplichtige in de sfeer van de belastingheffing (onder dwang en tegen zijn wil) heeft verstrekt, vervolgens gebruikt kunnen worden in het kader van de boeteoplegging.4
In de literatuur werd in de jaren voordat het arrest BNB 2008/159 werd gewezen al enige tijd geworsteld met de precieze duiding van de arresten Funke, Saunders en J.B. versus Zwitserland. Vooral de vraag hoe de rechtsregels uit die arresten met elkaar te verenigen zijn, hield de gemoederen bezig.5 De overheersende mening was, dat de uitleg die het EHRM geeft aan ‘material (…) which has an existence independent of the will of the suspect’, waarvoor het nemo tenetur-beginsel niet geldt, tamelijk strikt is. Uit een beperkte opvatting van dergelijk Saunders-materiaal volgt in de eerste plaats dat het nemo tenetur-beginsel ook impliciete eigen verklaringen omvat omtrent de vraag óf, en zo ja in hoeverre, die bewijsmiddelen bestaan (de verkapte eigen verklaring6). In de tweede plaats strekt de bescherming van het nemo tenetur-beginsel zich in deze opvatting ook uit tot real evidence. Het wilsaspect ziet dan niet zozeer op de aard van het bewijsmateriaal, maar veeleer op de wijze van verkrijging.7
In zijn Conclusie voor BNB 2008/159 wees A-G Wattel erop, dat de rechtspraak van de Hoge Raad tot op dat moment niet geheel met deze analyse leek te stroken.8 De vertaling die de Hoge Raad hanteerde, luidde immers: ‘materiaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van de belastingplichtige’: daaruit blijkt dat de Hoge Raad redeneert vanuit de positie van de belastingplichtige. Het gezichtspunt van het EHRM is anders, namelijk dat van de vervolgende autoriteit. Op grond van zijn analyse van de tot dan toe gewezen EHRM-jurisprudentie9 concludeerde de A-G dat het gebruik van de overgelegde stukken betreffende de KBLux-rekening als bewijsmiddel voor de boeteoplegging ontoelaatbaar was. De Hoge Raad is in BNB 2008/159 – naar mijn mening ten onrechte – op twee belangrijke punten afgeweken van deze Conclusie. Het gaat in de eerste plaats om de uitleg van het Saunders-criterium en in de tweede plaats om de interpretatie van het arrest Jalloh.
Uitleg van het Saunders-criterium: ‘bestaan’ afhankelijk van de wil
De Hoge Raad heeft vastgehouden aan zijn eerdere, letterlijke uitleg van het begrip ‘bestaan’ uit het arrest Saunders.10 De overgelegde stukken vormen volgens de Hoge Raad materiaal dat niet zijn bestaan dankt aan de wil van de belastingplichtige.11 De Hoge Raad toetst dus niet het bestaan als bewijsmiddel voor de vervolgende autoriteit. Uit de formulering van de kernoverweging uit het arrest blijkt bovendien, dat de Hoge Raad het informatieverzoek van de inspecteur duidelijk niet heeft opgevat als een verkapt (ongespecificeerd) verzoek om het afleggen van een verklaring omtrent het bestaan ervan.12 Omdat de inspecteur in de KBLux-casussen reeds beschikte over een lijst met vermoedelijke rekeninghouders, mocht de inspecteur het bestaan van de documenten volgens de Hoge Raad aannemen. De Blieck e.a. hebben geopperd dat de Hoge Raad met de geciteerde overweging impliciet heeft bevestigd dat onder andere omstandigheden – waarin de inspecteur nog slechts vermoedt dat er bankafschriften bestaan – het nemo tenetur-beginsel wél van toepassing zou kunnen zijn.13 Hoe het ook zij, de Hoge Raad merkte de bankafschriften aan als Saunders-materiaal en daarmee was de kous af: met dergelijke, door de inspecteur ten behoeve van de vaststelling van de belastingschuld opgevraagde bescheiden, mocht ook in het kader van de boeteoplegging rekening worden gehouden.
Interpretatie van het arrest Jalloh: de aard en mate van de uitgeoefende dwang
Daarnaast week de Hoge Raad af van de Conclusie van de A-G op het punt van de aard en mate van de uitgeoefende dwang. Gegeven de kwalificatie van documenten als Saunders-materiaal, is het op zichzelf reeds opvallend dat de Hoge Raad dit aspect heeft meegewogen. Immers, staat eenmaal vast dat het om stukken gaat die onafhankelijk van de wil van de verdachte ‘bestaan’ (zoals de Hoge Raad reeds had beslist), dan is het uitoefenen van dwang geoorloofd: het nemo tenetur-beginsel wordt ten aanzien van Saunders-materiaal per definitie niet geschonden.14 Het lijkt erop dat de Hoge Raad dit over het hoofd heeft gezien.15
De uitgeoefende dwang bestond erin, dat de inspecteur er bij zijn verzoek om informatie op had gewezen dat als sanctie op niet-meewerken de omkering van de bewijslast of strafrechtelijke vervolging op grond van de artikelen 68 en 69 AWR mogelijk was. De Hoge Raad oordeelde, onder verwijzing naar onder meer het arrest Jalloh, dat niet kan worden gezegd dat de enkele verwijzing naar mogelijk op te leggen wettelijke sancties neerkomt op een ’coercion or oppression in defiance of the will of the accused’ in de zin van de rechtspraak van het EHRM.16 Kennelijk gaat er volgens de Hoge Raad van het bestaan van de sancties op zichzelf dus geen of onvoldoende dwang uit, en maakt de enkele herinnering daaraan dat niet anders.
Dit oordeel behelst naar mijn mening een koerswijziging ten opzichte van het arrest BNB 2002/27, aangezien de Hoge Raad in dat arrest de uitleg van het EHRM op dit punt nog leek te volgen. In BNB 2002/27 ging het om het (niet volledig) verstrekken van inlichtingen en het (niet) geven van inzage op grond van de verplichtingen van art. 47 AWR. De Hoge Raad gaf als grondslag voor zijn rechtsoordelen17 in dat arrest nadrukkelijk (de bescherming van) het nemo tenetur-beginsel (onder verwijzing naar het arrest Saunders).18 De toepasselijkheid van dat beginsel stond voor de Hoge Raad dus buiten kijf, hetgeen alleen mogelijk is als van de verplichtingen van art. 47 AWR en de bijbehorende sancties ook de in dit verband vereiste dwang uit gaat.19 De Hoge Raad heeft in BNB 2008/159 helaas niet toegelicht waarom hij ten opzichte van BNB 2002/27 over dat laatste kennelijk van mening is veranderd. De onduidelijkheid wordt versterkt doordat de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2008 (dus slechts enkele maanden later) de leer van BNB 2002/27 nog eens expliciet heeft bevestigd.20 Ook in het hierna te bespreken arrest uit 2021 over de suppletieverplichting lijkt de Hoge Raad het enkele bestaan van wettelijke sancties (weer?) voldoende te vinden voor de aanwezigheid van de vereiste dwang, maar ook in dat arrest ontbreekt een toelichting.21
Duidelijk is wel, dat de ‘nieuwe’ interpretatie uit BNB 2008/159 strijdig is met de jurisprudentie van het EHRM,22 hetgeen ook in de literatuur is onderkend.23 Opvallend is in dit verband dat de Centrale Raad van Beroep de uitdrukkelijke mededeling van de informatieverplichting (met daarbij de suggestie van eventuele sancties bij niet-meewerken) wél als voldoende dwang in de zin van het nemo tenetur-beginsel heeft aangemerkt.24
Bovendien heeft de Hoge Raad in BNB 2008/159 naar mijn mening miskend, dat de in het geval van Jalloh uitgeoefende (extreme) dwang (het gedwongen toegediend krijgen van braakmiddelen en het aansluitend opgeven van een bolletje cocaïne) voornamelijk relevant was voor de in dat arrest geconstateerde strijd met het verbod op foltering (art. 3 EVRM), maar niet zozeer voor de (bevestigende) beantwoording van de vraag of het nemo tenetur-beginsel was geschonden.25 Dat, zoals de Hoge Raad constateerde, de medewerking van de belastingplichtige in de KBLux-zaak (bestaande uit het toezenden van stukken) in schril contrast staat tot de lijfelijke ongemakken en gezondheidsgevaren die Jalloh ten deel vielen, is dus weliswaar juist, maar niet relevant. Het feit dat de (veel) lichtere aard en mate van de uitgeoefende dwang in de KBLux-zaak geen foltering als bedoeld in art. 3 EVRM oplevert, wil immers nog niet zeggen dat er geen sprake zou zijn van de vereiste dwang in de zin van het nemo tenetur-beginsel, dat in art. 6 EVRM besloten ligt.26