Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.4.6
11.2.4.6 Suppletieverplichting art. 10a AWR levert wilsafhankelijke informatie op (V-N 2021/40.16)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940459:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29.
Zie daarover nader paragraaf 6.2.10.
Zie Bijlage I voor de bespreking van dit arrest.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.3.
De Hoge Raad merkte die informatie (gegevens en inlichtingen) aan als een ‘verklaring’.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.4.2. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 19 november 2021, V-N 2022/18.14 en de toelichting van de Staatssecretaris van Financiën in V-N 2022/21.22, alsmede Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2022, V-N 2022/33.15, r.o. 4.6.
In 2021 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag hoe de suppletieverplichting voor de omzetbelasting uit art. 10a AWR juncto art. 15 UBOB zich verhoudt tot het nemo tenetur-beginsel.1 Het opzettelijk of grofschuldig niet nakomen van die verplichting wordt bedreigd met een vergrijpboete.2 De Hoge Raad heeft twee belangrijke oordelen gegeven.
In de eerste plaats overwoog de Hoge Raad dat een belastingplichtige zich – ondanks de boetedreiging – niet aan de suppletieverplichting kan onttrekken met een beroep op het nemo tenetur-beginsel. Onder verwijzing naar het arrest Allen3 oordeelde de Hoge Raad dat het nemo tenetur-beginsel niet in de weg staat aan de informatieverplichting zelf, en (dus) ook niet aan het opleggen van een fiscale bestuurlijke boete wegens het niet nakomen daarvan.4 In de tweede plaats oordeelde de Hoge Raad dat de informatie die in het kader van de nakoming van de suppletieverplichting worden verstrekt, naar haar aard (dus: per definitie) wilsafhankelijk is.5 Daaruit volgt volgens de Hoge Raad dat de verstrekte informatie vervolgens niet mag worden gebruikt voor het bewijs dat de belastingplichtige een (ander) beboetbaar of strafbaar feit heeft begaan (zoals het beboetbaar feit van art. 67f AWR).6