Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.4.3
11.2.4.3 De civielrechtelijke dwangsom: vereiste dwang en wilsafhankelijk materiaal (BNB 2014/101 en Van Weerelt)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940557:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Alsof de materie al niet complex genoeg is, kan ook nog worden gedebatteerd over de vraag of deze restrictie algemeen geformuleerd mag zijn (‘voor zover het wilsafhankelijke informatie betreft’) of dat (en in hoeverre) de restrictie specifiek moet zijn (concrete aanduiding van het materiaal). Zie hierover nader Van Eijsden in zijn noot bij HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, par. 7. Ik laat deze kwestie hier rusten.
HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101, r.o. 3.7-3.9. Dit oordeel is bevestigd in HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205, r.o. 3.7.1-3.7.2 en in (het dezelfde belastingplichtige betreffende) HR 24 februari 2017 (civiele kamer), V-N 2017/13.5. In dezelfde zin: CBB 10 januari 2018, NJB 2018/280, CBB 4 september 2018, NJB 2018/1715 en CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.2. Volgens het CBB moet (ook) het bestuursorgaan dat de informatieverplichting kan afdwingen, deze restrictie al toepassen.
HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101, r.o. 3.8. In gelijke zin (onder verwijzing naar deze lijn van de Hoge Raad): CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.3.
HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/27.6, r.o. 3.6.6, HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, NTFR 2015/1499, NJ 2015/265, r.o. 4.3.6. In laatstgenoemd arrest neemt de Hoge Raad in zuiver nationaalrechtelijk opzicht een gelijkluidende beslissing over eventuele strijd met de rechtsregel uit het arrest HR 10 februari 1988, BNB 1988/160 (zie r.o. 5.7). Zie over die rechtsregel paragraaf 7.3.10.2.
Zie paragraaf 11.2.3.4. Aldus ook (onder verwijzing naar het arrest Chambaz): Redactie Vakstudie-Nieuws in de aantekening bij HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205.
EHRM 16 juni 2015 (Van Weerelt), nr. 784/14, V-N 2015/38.5, EHRC 2016/21, par. 61, par. 62 en – als zodanig – par. 66.
EHRM 16 juni 2015 (Van Weerelt), nr. 784/14, V-N 2015/38.5, EHRC 2016/21, par. 62.
EHRM 16 juni 2015 (Van Weerelt), nr. 784/14, V-N 2015/38.5, EHRC 2016/21, par. 63. Volgens Van de Wetering is er op dit punt sprake van een noviteit. Ik denk daar anders over, nu ik de beslissing van het EHRM vooral verklaar vanuit de Allen-leer (zie hierna). Anders dan in het arrest Van Weerelt liep in het arrest Chambaz (gaandeweg de procedure) wel degelijk een criminal charge.
Het dictum luidde: manifestly ill-founded (het equivalent van kennelijk ongegrond), par. 64.
Zie Bijlage I voor de bespreking van dit arrest.
Wijsman wijst er in dit verband op dat het EHRM niet vereist dat de belastingplichtige bij voorbaat expliciet wordt gewezen op de eventuele latere onbruikbaarheid van het materiaal in een boete- of strafprocedure. De buitenwettelijke garantieregeling gaat dus verder dan nodig, reden waarom het EHRM wellicht heeft (kunnen) volstaan met een ontvankelijkheidsbeslissing, aldus Wijsman 2017, p. 348-349.
Zie daaromtrent (en over de vereisten waaraan een dergelijke garantieregeling zou moeten voldoen) nader Wijsman 2017, hoofdstuk 10.
Zie in dit verband EHRM 16 juni 2015 (Van Weerelt), nr. 784/14, V-N 2015/38.5, EHRC 2016/21, par. 62.
Zie onder meer het hiervoor in paragraaf 11.2.4.1 besproken arrest BNB 2004/225 (onder ‘Na aanvang van een strafrechtelijke criminal charge?’).
De Hoge Raad heeft ook dit aspect mogelijk willen onderstrepen door arrest te wijzen in een gemengde kamer. Dat gebeurde opnieuw in HR 25 oktober 2013 (civiele kamer), V-N 2013/54.5, BNB 2014/205. Vgl. ook de Aantekeningen van de Redactie Vakstudie-Nieuws.
De voor de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel vereiste dwang was volgens de (civiele kamer van de) Hoge Raad wél aanwezig in een zaak waarin het opleggen van een civielrechtelijke dwangsom met het oog op de nakoming van art. 47 AWR aan de orde was. In gemengde samenstelling, met daarin raadsheren uit zowel de belastingkamer, de strafkamer als de civiele kamer, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2013 (BNB 2014/101) een soort garantiesysteem geïntroduceerd. Onder verwijzing naar het arrest J.B. versus Zwitserland overwoog de Hoge Raad allereerst in algemene termen dat wilsafhankelijk bewijsmateriaal voor heffingsdoeleinden in beginsel mag worden afgedwongen. Indien niet kan worden uitgesloten dat dergelijk materiaal tevens, in verband met een criminal charge, tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt, moet daarbij echter wel het nemo tenetur-beginsel worden gewaarborgd. Nu hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, is het volgens de Hoge Raad aan de rechter om in de vereiste waarborgen te voorzien. In het geval van een civielrechtelijke dwangsom dient de civiele (voorzieningen)rechter een beperkende clausule te verbinden aan het door hem uit te spreken bevel: voor zover dat bevel wilsafhankelijk materiaal betreft,1 geldt als restrictie dat het verstrekte materiaal uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.2
In lijn met zijn eerdere jurisprudentie overwoog de Hoge Raad ten slotte dat wanneer het wilsafhankelijke materiaal toch (mede) wordt gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, het oordeel daaromtrent toekomt aan de rechter die over die latere beboeting of bestraffing beslist.3 Dit procedurele aspect is nadien bevestigd, waarbij de Hoge Raad aangaf dat die latere boete- of strafrechter in volle omvang kan toetsen. Dat betekent dat ten overstaan van die sanctierechter niet alleen de vraag of is gehandeld in strijd met de restrictie aan de orde kan worden gesteld, maar dat ook de wils(on)afhankelijke aard van het materiaal opnieuw (maar nu achteraf) kan worden beoordeeld.4
Het EHRM over de garantieregeling en de civielrechtelijke dwangsom
Deze beslissingen zijn op hoofdlijnen in overeenstemming met het beeld dat uit de hiervoor besproken jurisprudentie van het EVRM naar voren komt.5 Het EHRM heeft zulks nadien ook uitdrukkelijk bevestigd, en wel in de desbetreffende zaak zelf. De boeteling uit het arrest BNB 2014/101, de heer Van Weerelt, heeft het oordeel van de Hoge Raad namelijk als zodanig voorgelegd aan het EHRM. Daarmee had hij meteen de primeur: het was de eerste Nederlandse zaak waarin het EHRM zich heeft uitgesproken over de verhouding tussen de nationale fiscale informatieverplichtingen en het nemo tenetur-beginsel. Enerzijds bevestigde het EHRM de opvatting van de Hoge Raad dat de inspecteur op zichzelf bevoegd was om wilsafhankelijk materiaal op te vragen, waarbij het EHRM onder andere naar het arrest Allen verwees. Ook accordeerde het EHRM de buitenwettelijke garantieregeling van de Hoge Raad, waaruit blijkt dat codificatie niet strikt noodzakelijk is.6 Anderzijds heeft het EHRM zich helaas niet ten gronde uitgesproken over de casus, nu er in de zaak van Van Weerelt nog geen definitieve beslissing in het kader van enige criminal charge was genomen en er op voorhand geen reden was om aan te nemen dat art. 6 EVRM in de betreffende (‘bodem’)procedures zou worden geschonden.7 Het EHRM achtte de regels uit de arresten J.B. tegen Zwitserland, Shannon en Chambaz daarom (nog) niet van toepassing.8 Dientengevolge kon het EHRM in deze zaak volstaan met een ontvankelijkheidsbeslissing.9
Verhouding EHRM en Hoge Raad (Van Weerelt)
Ondanks dat art. 6 EVRM niet was geschonden, kan uit deze ontvankelijkheidsbeslissing naar mijn mening worden afgeleid dat het EHRM een andere insteek kiest dan de Hoge Raad. Opvallend is bijvoorbeeld dat de Hoge Raad ter onderbouwing van zijn beslissing verwees naar het arrest J.B. tegen Zwitserland, terwijl het EHRM de situatie uit dat arrest juist (nog) niet toepasselijk achtte. Het EHRM beschouwt de meewerkplicht onder dwangsom volgens mij als een afzonderlijke (met sancties bedreigde) informatieplicht, nu er in het onderhavige geval geen criminal charge als zodanig voorlag. Voor het EHRM stond, net als in het arrest Allen,10 slechts de dwangmaatregel zelf ter discussie, en niet het (eventuele) gebruik van onder dreiging daarvan verkregen informatie in een latere boete- of strafzaak. Bezien door de Allen-bril gaat het in de fase voorafgaand aan de pending or anticipated criminal proceedings alleen om de meewerkplicht als zodanig en bestaat er dus ook (nog) geen latente werking.
Dit verschil in insteek betekent, dat het vanuit art. 6 EVRM bezien helemaal niet noodzakelijk was om een (buitenwettelijke) garantieregeling te introduceren.11 Het is wel mogelijk dat het EHRM, áls een wettelijke of jurisprudentiële garantieregeling zoals de Nederlandse eenmaal bestaat, deze op voorhand aanmerkt als voldoende compensatie voor potentiële zelfbelasting. Het enkele bestaan van de garantieregeling zou dan een (latere) schending van het nemo tenetur-beginsel bij voorbaat voorkomen.12 Bijkomend gevolg van deze opvatting is dat er in de voorfase geen zwijgrecht zou gelden.13
Ook op een ander punt acht ik de Hoge Raad overigens ruimhartiger dan het EHRM: de buitenwettelijke garantieregeling geldt niet pas vanaf het bestaan van (ten minste) een anticipatedcriminal charge, maar reeds zodra later incriminerend gebruik ‘niet kan worden uitgesloten’. Ik vermoed dat de Hoge Raad deze formule heeft overgenomen uit het arrest J.B. versus Zwitserland of het arrest Marttinen. In die arresten was er echter – anders dan in BNB 2014/101 – reeds sprake van een aanpalende (pending) strafrechtelijke procedure.
Ten slotte merk ik nog het volgende op. Ondanks dat er in het arrest BNB 2014/101 nog geen sprake was van een pending or anticipatedcriminal charge, kan uit dat arrest naar mijn mening worden afgeleid dat de Hoge Raad het eerder gehanteerde strikte onderscheid tussen rechtssferen definitief heeft laten varen. Eerder had de Hoge Raad immers nog overwogen dat een beroep op het nemo tenetur-beginsel in een fiscale zaak niet mogelijk was, als in die fiscale rechtssfeer zelf geen sprake was van een (eventuele) criminal charge. Dat er wél een strafrechtelijke criminal charge was, maakte niet uit.14 In BNB 2014/101 stelde de Hoge Raad fiscale beboeting of strafvervolging daarentegen op één lijn. Uit die gelijkschakeling leid ik af dat ook wanneer er alleen in strafrechtelijk opzicht sprake is van een pending or anticipatedcriminal charge, het nemo tenetur-beginsel in een fiscale zaak van toepassing kan zijn. In dergelijke gevallen, waarin er (nog) geen sprake is van een fiscale criminal charge, staat de omstandigheid dat de informatieverplichtingen geregeld zijn in het fiscale bestuursrecht dus niet langer in de weg aan de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel in fiscalibus.15