Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.4.5
11.2.4.5 De knoop doorgehakt: documenten zijn per definitie wilsonafhankelijk (V-N 2015/27.6, V-N 2015/28.7, BNB 2016/21)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940614:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld r.o. 3.2 en met name r.o. 3.7 en 3.8, alsmede de formulering van de beslissing zelf in HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101.
Hof Amsterdam 25 februari 2014, NJF 2014/167, r.o. 3.22. Op dezelfde datum heeft Hof Amsterdam een reeks vergelijkbare uitspraken gedaan. Tegen alle uitspraken is beroep in cassatie ingesteld. In deze civiele zaken is op 19 december 2014 conclusie genomen door A-G Langemeijer (civiel) en A-G Wattel (fiscaal).
HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/27.6. Zie voorts (onder meer) HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, NTFR 2015/1499, NJ 2015/265.
Logischerwijs volgt de lagere civiele jurisprudentie deze opvatting, zie bijvoorbeeld (in het kader van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel) Hof Den Haag 6 juni 2017 (civiel), V-N 2017/49.20, r.o. 11. Ook het CBB heeft zich aangesloten bij de uitleg van de Hoge Raad, zie CBB 7 mei 2019, V-N 2019/32.21, FED 2019/100, r.o. 5.3.3.
Gelet op de duidelijke formuleringen uit dit arrest kan ik de opmerkingen van Wijsman, inhoudende dat de Hoge Raad met het begrip wilsafhankelijk materiaal mede het oog heeft op documenten en bescheiden (zie Wijsman 2017, p. 360 en 362), niet goed volgen. Ook als hij doelt op de verkapte eigen verklaring, sluit de combinatie wilsafhankelijk en documenten niet aan bij het onderscheidend criterium dat de Hoge Raad aanlegt, namelijk de aard van het materiaal. Wijsman vervangt dat criterium in feite door daarvoor de wijze van verkrijging in de plaats te stellen, maar dat is niet waar de Hoge Raad voor heeft gekozen. Zie hieromtrent nader hierna in paragraaf 11.2.5.2.
HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/27.6, r.o. 3.7.2.
HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/27.6, r.o. 3.6.5. Terecht plaatste Van Eijsden bij deze constatering de kanttekening dat er sindsdien heel wat arresten van het EHRM zijn verschenen die licht werpen op deze kwestie, zie zijn noot bij HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, par. 4.
HR 29 mei 2015, V-N 2015/28.7, BNB 2016/23, NTFR 2015/1807, FED 2015/53 (het fiscale arrest vond zijn oorsprong in het project Bank Zonder Naam). Zie voor een toepassing van deze rechtsregels ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, V-N 2020/41.15, r.o. 4.19 (slot).
EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16, FED 2022/123. Zie paragraaf 11.2.3.3.
HR 29 mei 2015, V-N 2015/28.7, BNB 2016/23, NTFR 2015/1807, FED 2015/53, r.o. 2.3.3.
HR 12 juli 2013 (civiele kamer), V-N 2013/37.7, BNB 2014/101, r.o. 3.9, HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/27.6, r.o. 3.6.3 en 3.6.4. In het verlengde daarvan rusten in een civiel executiegeschil de stelplicht en de bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd, evenzeer op de Staat, HR 24 februari 2017 (civiele kamer), V-N 2017/13.5, r.o. 3.4.4.
Zie ook HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, NTFR 2015/1499, NJ 2015/265, r.o. 4.3.3.
Wijsman 2017, p. 364-365.
HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, r.o. 4.4.2. Zie over dit arrest nader paragraaf 11.2.4.6 hierna en over de bedoelde overweging nader paragraaf 11.2.5.2.
Zie in dit verband ook de Conclusie van A-G Ettema voor HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, par. 3.22-3.24 (N.B. de Hoge Raad volgde niet de opvatting van de A-G uit par. 3.25).
HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, NTFR 2008/614, r.o. 3.3.2. Wijsman ziet in dit arrest al een impliciet voorteken van het hiervoor beschreven oordeel van de belastingkamer (een verkapte eigen verklaring is aan de orde wanneer het bestaan redelijkerwijs moet worden betwijfeld), Wijsman 2017, p. 357.
Zie bijvoorbeeld Thomas in zijn noot bij EHRM 5 april 2012 (Chambaz), nr. 11663/04, FED 2012/77 (punt 2.3: ‘maar de Belastingdienst niet zeker is van het bestaan van deze gegevens’), die zich nadrukkelijk baseert op het arrest Funke, en Pechler 2012-I (niet ter discussie mag staan dat de gevraagde stukken existeren). Zie voorts reeds De Blieck e.a. 2011, p. 126-127 (met name noot 154), die zulks afleidden uit BNB 2008/159.
Zie echter het (in een ander kader, want tegen de achtergrond van een informatiebeschikking gewezen) arrest HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.5, BNB 2017/92, r.o. 3.5.2-3.5.3. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat een verzoek van de inspecteur om het bewijs van opheffing van een buitenlandse bankrekening toe te sturen ‘indien de rekening inmiddels is opgeheven’, nadrukkelijk niet inhoudt dat een verklaring wordt gevergd. Naar mijn mening zou er in het kader van het nemo tenetur-beginsel wél sprake zijn van een (verkapte) eigen verklaring. Het al dan niet voldoen aan het verzoek houdt immers een antwoord in op de vraag óf de rekening is opgeheven.
In de arresten over de dwangsom (2013) en de informatiebeschikking (2014) bleef de Hoge Raad (althans naar mijn smaak) tamelijk krampachtig weg van het geven van een oordeel over de vraag wanneer er nu precies sprake is van wils(on)afhankelijk materiaal.1 In 2015 gaf de Hoge Raad eindelijk de gewenste duidelijkheid. Begin 2014 had de civiele kamer van Hof Amsterdam (met daarin voor de gelegenheid een belastingrechter), in het licht van een gevorderde dwangsom in een KBLux-zaak, geoordeeld dat gevorderde bescheiden als wilsafhankelijk materiaal zijn aan te merken.2 Het ging in casu om kopieën van bankafschriften en schriftelijke bewijzen van de opheffing van de bankrekening en van de bestemming van het saldo na opheffing. Onder verwijzing naar de arresten Funke, J.B. tegen Zwitserland en Chambaz achtte het Hof voor zijn oordeel doorslaggevend dat (1) de Staat de betreffende documenten zonder medewerking van betrokkenen niet kon verkrijgen, terwijl (2) de mate van druk die uitgaat van de op te leggen dwangsom substantieel was. Gebruik van de bescheiden als bewijs ten behoeve van bestuurlijke boeteoplegging of strafvervolging kwam volgens het Hof daarom in strijd met art. 6 EVRM.
De Hoge Raad is echter niet omgegaan en heeft dit oordeel op 24 april 2015 gecasseerd.3 De civiele kamer (waarin voor de gelegenheid opnieuw enkele raadsheren uit de belastingkamer hadden plaatsgenomen) oordeelde dat het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal is gelegen in de aard van het materiaal. Doorslaggevend is slechts, of het materiaal in fysieke zin ‘bestaat’ onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige.4 In deze betekenis gaat het dus om ‘bestaan’ in de zin van: ergens in het universum existeren. Documenten en bescheiden zoals bankafschriften moeten om die reden worden aangemerkt als wilsonafhankelijk materiaal.5 Voor die kwalificatie is bovendien niet relevant dat de bescheiden slechts met (enige) medewerking van de belastingplichtige kunnen worden verkregen.6 Volgens de Hoge Raad zou het onderscheid uit het arrest Saunders daarmee zinledig worden, aangezien het afgeven van bescheiden nimmer zonder medewerking van de betrokkene kan plaatsvinden. De Hoge Raad constateerde ten slotte dat het EHRM nooit is teruggekomen van het Saunders-arrest en het daarin gemaakte onderscheid.7
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft een maand na het wijzen van de civiele arresten de daarin ontwikkelde uitgangspunten bevestigd.8 Waar de civiele arresten de vraag betroffen of het nemo tenetur-beginsel op voorhand in de weg staat aan de verplichting om informatie te verstrekken, ging het in het fiscale arrest om de gevolgen van het gebruik van onder dwang (een dwangsom van € 5.000 per dag) verstrekte bescheiden (bankafschriften en portfolio-overzichten) voor de onderbouwing van later opgelegde aanslagen en boetes. De boeteling uit dit arrest heeft de zaak vervolgens voorgelegd aan het EHRM, wat heeft geleid tot het hiervoor besproken arrest De Legé.9
Wilsonafhankelijke documenten en de verkapte eigen verklaring
De belastingkamer van de Hoge Raad oordeelde enerzijds dat het nemo tenetur-beginsel zich niet uitstrekt tot ‘alle bescheiden waarvan het overhandigen erkenning van het bestaan ervan impliceert’, omdat in elke afgedwongen overhandiging van bescheiden nu eenmaal een zodanige erkenning besloten ligt.Anderzijds overwoog de Hoge Raad (net als in BNB 2008/159) nadrukkelijk dat het in het berechte geval ging om bescheiden die betrekking hadden op rekeningen waarvan de belastingplichtige reeds als rekeninghouder was geïdentificeerd, zodat de inspecteur het bestaan ervan mocht aannemen. Juist vanwege die laatste omstandigheid stond volgens de Hoge Raad ‘buiten twijfel dat het gaat om materiaal dat onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaat.’10 Dergelijk materiaal kan vrijelijk worden gebruikt als bewijsmiddel ter staving van de boete.
Gelet op de formulering van de kernoverweging lijkt de Hoge Raad niet uit te sluiten dat er, ook ten aanzien van naar zijn aard wilsonafhankelijk materiaal zoals documenten, onder (andere) omstandigheden sprake kan zijn van een verkapte eigen verklaring. A contrario leid ik uit die formulering namelijk af dat de Hoge Raad van mening is dat het vragen om documenten waarvan de autoriteiten niet (zeker) weten of de belastingplichtige daarover beschikt, in feite (mede) een verklaring omtrent het bestaan daarvan behelst, welke verklaring wilsafhankelijk is en dus door het nemo tenetur-beginsel wordt bestreken.
Er zijn ook overigens sterke aanwijzingen in die richting. Zo heeft de Hoge Raad nadrukkelijk bepaald dat het in een civielrechtelijk kort geding aan de Staat is om aannemelijk te maken dat de belastingplichtige de gevraagde gegevens en inlichtingen daadwerkelijk kan verstrekken.11 Voor zover informatieverzoeken onvoldoende zijn onderbouwd of slechts een fishing expedition inhouden, kunnen deze dan ook niet leiden tot de toewijzing van een dwangsom. De staat moet dus aannemelijk maken (1) dat het gevorderde materiaal bestaat en (2) dat de belastingplichtige daarover daadwerkelijk de beschikking heeft, of dat hij het materiaal zonder overdreven inspanningen kan verkrijgen.12 Zoals Wijsman naar mijn mening terecht opmerkt, heeft de Hoge Raad hiermee aansluiting gezocht bij het toepassingsbereik van art. 47 AWR.13 Dat bereik is weliswaar ruim, maar niet onbegrensd: ongefundeerde, ongerichte en niet-gespecificeerde informatieverzoeken vallen daar immers buiten. In de gedachtegang van de Hoge Raad zijn dergelijke verzoeken, ook voor zover het documenten betreft, dus verkapte verzoeken om het afleggen van een eigen, wilsafhankelijke verklaring. In dit verband wijs ik er nog op dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het voor het wilsafhankelijke karakter van een verklaring niet uitmaakt dat die verklaring gebaseerd is op documenten.14 Ook daaruit kan naar mijn mening worden afgeleid dat verklaringen over het bestaan of de inhoud van documenten volgens de Hoge Raad wilsafhankelijke verklaringen zijn.15
Uit de eerdere rechtspraak lijkt bovendien te volgen dat louter vermoedens onvoldoende zijn: in BNB 2008/159 achtte de Hoge Raad het immers relevant dat de inspecteur het bestaan van de stukken niet slechts vermoedde, maar daarmee bekend was.16 Ook in de literatuur wordt de min of meer zelfstandige rol van dit Funke-criterium (‘nog slechts vermoeden’) algemeen erkend.17 Vanuit dit perspectief lijkt de Hoge Raad in 2015 welbewust te hebben overwogen dat het ‘buiten twijfel’ moet zijn dat de gegevens bestaan. De lat zou dan dus inderdaad hoog liggen.18