Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief
Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.7.2:8.3.7.2 Het bepaalde voorwerp van de levering of vestiging in het Romeinse en in het Rooms-Hollandse recht
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.7.2
8.3.7.2 Het bepaalde voorwerp van de levering of vestiging in het Romeinse en in het Rooms-Hollandse recht
Documentgegevens:
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS420767:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie: §2.3.1, §3.3.1 en §4.4.1.
D. 20,1,29 pr. (Paulus 5 responsorum).
In Holland waren in beginsel ook de goederen die naar Romeins recht uitgezonderd werden in D. 20,1,6-9 bezwaard met het generaal pandrecht zoals huisraad, kleding en slaven voor de dagelijkse huishouding. Voet 1787, I, D. 20,1 nr. 6, p. 285 (479) en Groenewegen van der Made II, D. 20,1,6, p. 141 (183).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het systeem van het Romeinse en het Rooms-Hollandse goederenrecht vloeide voort dat ook een levering of vestiging een bepaald voorwerp had, opdat vastgesteld kon worden welke goederen waren overgedragen of bezwaard. Deze betekenis van bepaaldheid komt niet expliciet voor in wettelijke bepalingen. De toepassing van bepaaldheid op de levering of vestiging wordt echter bevestigd door het bestaan van generale zekerheid in het Romeinse en in het Rooms-Hollandse recht.
Zowel in het Romeinse als in het Rooms-Hollandse recht kon een schuldenaar al zijn bestaande en toekomstige goederen (bij voorbaat) bezwaren met een generaal pandrecht of tot zekerheid in eigendom overdragen.1 In D. 20,1,34,pr. had de schuldenaar een pandrecht op zijn taberna (winkel) gevestigd en moest de rechter volgens Scaevola de vaststelling maken welke zaken onder het pandrecht vielen op het moment van overlijden van de schuldenaar. Volgens Paulus (D. 20,1,29,pr.) vielen onder een generaal pandrecht alle goederen van een schuldenaar die hij op het moment van zijn overlijden in eigendom had.2 De rechter kon met andere woorden aan de hand van de bewoordingen in de pandakte en de aanwezigheid van goederen bij de schuldenaar vaststellen welke goederen waren verpand.3 Het voorwerp van de levering was bepaald indien uiteindelijk de rechter deze vaststelling kon maken.