Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/6.3.2
6.3.2 Omvang eigendomsvoorbehoud
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400840:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de bedenkingen van Zwitser 2000, p. 639-649 (weliswaar grotendeels toegesneden op een combinatie met een vervreemdingsverbod) en Reehuis 2013, nr. 31.
Braun 1980, p. 88.
Vgl. Reehuis 2013, nr. 31 in fine.
Vgl. Serick 1982, p. 142-143.
Vgl. Serick 1982, p. 143-144.
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 186.
Vgl. ook Asser/Scholten 1945, p. 476-477.
In die richting ook Reehuis 2013, nr. 115 (die evenwel ook ruimte lijkt te zien voor een andersluidende vormgeving van de voorwaarde).
Zie nader hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.2.2.
Rank-Berenschot 1999, p. 7, Janssen 2001, p. 282-283, Reehuis 2013, nr. 114 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 537.
HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. C.J.H. Brunner. Dat bij de uitleg van een titel van overdracht met betrekking tot een roerende zaak, niet-zijnde een registergoed deze maatstaf moet worden aangelegd, blijkt bijv. uit HR 18 november 2005, NJ 2006, 151 (BTL Lease/Van Summeren), rov. 3.5.2.
HR 4 december 1998, NJ 1999, 549 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.5.3.
Het verdient opmerking dat de rechtsgevolgen van een zodanig rekening-couranteigendomsvoorbehoud niet eenvoudig zijn vast te stellen indien in die rekening ook vorderingen worden geboekt die niet voldoen aan de omschrijving van artikel 3:92 lid 2 BW. Verdedigbaar lijkt deze vorderingen alsnog buiten beschouwing te laten waar het aankomt op de afwikkeling van het eigendomsvoorbehoud, zij het dat daarmee de voordelen die zijn verbonden aan het opnemen van vorderingen in een rekening-courant – in ieder geval waar het aankomt op de afwikkeling van het eigendomsvoorbehoud – grotendeels worden tenietgedaan. Indien de eigendom niet wordt voorbehouden voor de saldovordering bij beëindiging van de rechtsverhouding, maar voor een of meer afzonderlijke vorderingen, die in rekening-courant worden opgenomen, dan geldt dat dat de verkoper eigenaar blijft zolang de desbetreffende vorderingen nog voortleven in het saldo. Zie F.H.J. Mijnssen, De rekening-courantverhouding (Mon. Privaatrecht), Deventer: Kluwer 2010, p. 28-29.
Vgl. Verhagen & Rongen 2000, p. 143.
Vgl. Verhagen & Rongen 2000, p. 144.
De mogelijkheid om de eigendomsovergang afhankelijk te maken van de voldoening van toekomstige vorderingen is, ondanks de toelaatbaarheid, niet geheel onproblematisch. Door de eigendomsovergang uit te stellen tot het moment van voldoening van alle bestaande en toekomstige vorderingen die in de rechtsverhouding tussen de verkoper en de koper ontstaan (en die voldoen aan de omschrijving van lid 2), kan het zo zijn dat de eigendomsverkrijging door de koper jarenlang vooruit wordt geschoven.1 Bovendien zal niet altijd even duidelijk zijn wanneer er een einde is gekomen aan de rechtsverhouding, waardoor onduidelijkheid kan bestaan over de vraag of de verkoper of de koper eigenaar is van de verkochte zaak.2 Voor de vraag wat de omvang is van een door partijen bedongen verbreed eigendomsvoorbehoud, dient in de eerste plaats acht te worden geslagen op de beperkingen die uit de wet voortvloeien en daarnaast op beperkingen die uit de overeenkomst tussen verkoper en koper voortvloeien.
Een eerste beperking wordt gevormd door de omstandigheid dat het eigendomsvoorbehoud gewoonlijk is opgenomen in een koopovereenkomst, die ertoe strekt dat de koper eigenaar wordt. Met de strekking van de koopovereenkomst verdraagt zich niet een ongebreidelde uitbreiding van het aantal vorderingen, waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen.3 De voorwaarde moet zich verdragen met de koopovereenkomst, in die zin dat beoogd moet zijn dat de koper op den duur eigenaar wordt.4 Een tweede beperking volgt uit de aard van de voorwaarde: er moet sprake zijn van onzekerheid (vgl. art. 6:21 BW).5 Indien een recht wordt overgedragen onder een opschortende voorwaarde die in werkelijkheid niet in vervulling kan gaan – bijvoorbeeld omdat altijd nieuwe vorderingen kunnen ontstaan – is geen sprake van een daadwerkelijk beoogde eigendomsoverdracht: er is sprake van een onmogelijke voorwaarde.6 Uit het karakter van de koopovereenkomst en de natuur van de voorwaardelijkheid volgt derhalve een zekere temporele beperking. Indien het eigendomsvoorbehoud wordt bedongen voor alle vorderingen die ooit zullen ontstaan en die onder de reikwijdte van lid 2 vallen, is de eigendomsverkrijging van de koper uitgesteld tot het mogelijk nooit intredende moment dat vaststaat dat nooit meer een zodanige vordering tussen verkoper en koper ontstaat. Als temporele beperking moet dan ook in ieder geval worden aangehouden dat het eigendomsvoorbehoud slechts wordt bedongen voor vorderingen die ontstaan in de rechtsverhouding tussen verkoper en koper.7 De beëindiging van de rechtsverhouding en voldoening van alle vorderingen heeft dan zonder meer vervulling van de voorwaarde tot gevolg.8
In de derde plaats volgt uit de ratio en rechtvaardiging van het eigendomsvoorbehoud een nadere inhoudelijke beperking. In hoofdstuk 3 is opgemerkt dat de verbreding van het eigendomsvoorbehoud tot willekeurige andere vorderingen uit de rechtsverhouding, die op zichzelf lijken te voldoen aan de omschrijving uit lid 2 van artikel 3:92 lid 2 BW zich niet goed laat rechtvaardigen tegen de achtergrond van de ratio die aan het eigendomsvoorbehoud ten grondslag ligt. Er moet derhalve sprake zijn van een zekere functionele samenhang met de koopovereenkomst, in die zin dat de overige vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen te maken hebben met de positie van de verkoper als leverancier. Die eis vloeit in de eerste plaats voort uit het feit dat het eigendomsvoorbehoud zijn rechtvaardiging vindt in het feit dat de verkoper met het eigendomsvoorbehoud niet zijn schuldeisersbelangen beschermt, maar zijn leveranciersbelang om zijn eigen prestatie te behouden. In de tweede plaats vloeit deze beperking voort uit de omstandigheid dat niet goed valt te rechtvaardigen dat de leverancier die toevallig in staat is een eigendomsvoorbehoud te bedingen, daarmee ook zijn schuldeisersbelangen veilig zou kunnen stellen, terwijl andere schuldeisers deze mogelijkheid niet hebben.9
Nadere beperkingen kunnen voortvloeien uit de overeenkomst tussen partijen. Door uitleg zal moeten worden vastgesteld voor welke vorderingen het eigendomsvoorbehoud is bedongen.10 Daarvoor geldt de ‘gewone’ Haviltex-maatstaf, waardoor het bij de vraag voor welke vorderingen het eigendomsvoorbehoud is bedongen aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het eigendomsvoorbehoudsbeding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.11 Aan de hand van deze maatstaf zal bijvoorbeeld moeten worden vastgesteld tot welk type vorderingen het eigendomsvoorbehoud is verbreed, of ook toekomstige vorderingen daaronder begrepen zijn en of – in afwijking van hetgeen in paragraaf 6.3.1 is opgemerkt – een tussentijdse voldoening van alle op dat moment bestaande vorderingen vervulling van de voorwaarde tot gevolg heeft.
Het is in dit verband interessant nog een nadere blik te werpen op de interpretatie van het kredieteigendomsvoorbehoud door de Hoge Raad in het arrest Potharst/Serrée. Door het hof was vastgesteld dat tussen Potharst en Serrée een eigendomsvoorbehoud was overeengekomen en dat de omstandigheid dat de rekening-courantverhouding was geëindigd c.q. een nulstand had bereikt niet met zich bracht dat de eigendom was overgegaan op de koper. Door de Hoge Raad werd dit oordeel van het hof aldus geïnterpreteerd ‘dat naar zijn oordeel het door Serrée bedongen zekerheidsrecht niet behoorde bij de vordering tot betaling van een op een willekeurig tijdstip bestaande vordering, maar strekte tot zekerheid van de vordering van Serrée die bij het einde van de rechtsverhouding tussen haar en Potharst Utrecht mocht blijken te bestaan.’12 Uit deze interpretatie zou men kunnen afleiden dat een eigendomsvoorbehoud slechts bedongen kan worden voor ofwel een bepaalde, specifieke vordering die gedurende de rechtsverhouding bestaat, ofwel de vordering van de verkoper op de koper die bij het einde van de rechtsverhouding bestaat. Dat zijn echter niet de enige twee mogelijkheden. Naast de mogelijkheid om het eigendomsvoorbehoud te bedingen voor het eindsaldo na beëindiging van de rechtsverhouding (al dan niet door middel van een ‘echte’ rekening-courantverhouding),13 is eveneens denkbaar dat een eigendomsvoorbehoud wordt verbreed tot alle afzonderlijke vorderingen die in de rechtsverhouding tussen verkoper en koper bestaan en in de toekomst zullen ontstaan. In het eerste geval houdt de opschortende voorwaarde in dat de koper de bij beëindiging van de rechtsverhouding bestaande saldovordering moet voldoen, terwijl in het tweede geval de opschortende voorwaarde inhoudt dat de koper al deze bestaande en toekomstige vorderingen in de rechtsverhouding tussen verkoper en koper moet voldoen.
Ondanks het verschil in vormgeving van de voorwaarde hebben beide varianten grotendeels dezelfde rechtsgevolgen: de koper wordt pas eigenaar als hij al datgene heeft voldaan wat hij verschuldigd is en zal zijn in de rechtsverhouding met de verkoper, hetgeen in beide gevallen gewoonlijk pas kan worden vastgesteld bij beëindiging van de rechtsverhouding. Er bestaan echter ook verschillen. In de eerste variant kan de koper gedurende het bestaan van de rechtsverhouding nog niet in gebreke blijven met betrekking tot de voldoening van de eindsaldovordering, aangezien deze pas ontstaat c.q. verschuldigd is bij beëindiging van de rekening-courantverhouding. In het tweede geval kan de koper echter ook reeds gedurende de rechtsverhouding in gebreke zijn met de voldoening van een of meer specifieke vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen. Dat heeft gevolgen voor de mogelijkheid om tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud over te gaan.14 Als het eigendomsvoorbehoud is bedongen voor de voldoening van de eindsaldovordering, zal de verkoper in beginsel pas kunnen overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van die vordering. In de tweede variant kan de verkoper daarentegen ook reeds gedurende het bestaan van de rechtsverhouding overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, namelijk wanneer de koper in gebreke blijft met de voldoening van een of meer specifieke vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen. Beide varianten zijn dus mogelijk, zodat uitleg zal moeten vaststellen welke variant tussen partijen is overeengekomen. Gelet op de redenen om een eigendomsvoorbehoud te bedingen, zal in de regel wel de tweede variant bedoeld zijn, zodat de verkoper ook reeds gedurende het bestaan van de rechtsverhouding de bevoegdheid heeft om tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud over te gaan.15