Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/6.3.1
6.3.1 Toelaatbaarheid
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396144:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Janssen 1997, p. 479-480 en Wessels 2001, p. 146.
A.I.M. van Mierlo in punt 6 van diens noot onder HR 4 december 1998, AA 1999, p. 288-296 (Potharst/Serr é e), Rank-Berenschot 1999, p . 7 (zij het met enige voorzichtigheid), W.M. Kleijn in punt 2 van diens noot onder HR 4 december 1998, NJ 1999, 549 (Potharst/Serr é e), Zwitser 2000, p. 646-649, Janssen 2001, p. 269-283, Janssen 2002, p. 318-324, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 491, Reehuis 2013, nr. 31 en nr. 114, Bartels & Geurts 2016, p. 129-130 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 537.
HR 4 december 1998, NJ 1999, 549 m.nt. W.M. Kleijn. Zo ook Janssen 2001, p. 275 en Reehuis 2013, nr. 114.
Zie uitgebreid hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.1.1.
W.M. Kleijn in punt 2 van diens noot onder HR 4 december 1998, NJ 1999, 549 (Potharst/Serr é e), Janssen 2002, p. 319 en Reehuis 2013, nr. 114.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1240. Anders: Janssen 1997, p. 480 (zie evenwel ook Janssen 2002, p. 319-320 alwaar hij de desbetreffende passage aanhaalt).
Vgl. Serick 1982, p. 161.
Zo echter Wessels 2001, p. 146.
Vgl. Janssen 2001, p. 278-281.
Zo echter Janssen 1997, p. 480 en Wessels 2001, p. 146.
Vgl. Lambsdorff 1974, p. 120.
Zo bijv. Janssen 2001, p. 269.
Over de toelaatbaarheid van een kredieteigendomsvoorbehoud bestaat in de literatuur enige twijfel. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of het eigendomsvoorbehoud tenietgaat – dat wil zeggen: de voorwaarde in vervulling gaat en de eigendom overgaat op de koper – indien er op enig moment geen vordering meer bestaat waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen. Een aantal auteurs acht een eigendomsvoorbehoud dat ook dan blijft bestaan niet toelaatbaar, onder meer omdat daarmee de grenzen van lid 2 van artikel 3:92 BW zouden worden overschreden en omdat voldoening van alle openstaande vorderingen noodzakelijkerwijs vervulling van de voorwaarde met zich zou brengen.1 Als heersende leer lijkt daarentegen de opvatting te kunnen worden beschouwd dat het eigendomsvoorbehoud ook voor toekomstige vorderingen kan worden bedongen, althans voor zover deze vorderingen vallen binnen de omschrijving van lid 2, als gevolg waarvan de verkoper ook eigenaar blijft als weliswaar alle bestaande vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen zijn voldaan, maar in de toekomst nog nieuwe vorderingen kunnen ontstaan.2
Aan het arrest Potharst/Serr é e, dat in dit verband soms in stelling wordt gebracht, komt voor de toelaatbaarheid van het beding geen betekenis toe.3 Niet alleen speelde zaak zich af onder het oude recht, dat geen met artikel 3:92 lid 2 BW vergelijkbare bepaling kende, ook hoefde de Hoge Raad zich slechts over het kredieteigendomsvoorbehoud te buigen in het kader van een motiveringsklacht, waarmee werd opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de rekening-courantverhouding was geëindigd c.q. een nulstand had bereikt niet met zich bracht dat de eigendom was overgegaan op de koper. Deze klacht faalde volgens de Hoge Raad omdat hij het oordeel van het hof onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd achtte.
Bij de beantwoording van de vraag of een kredieteigendomsvoorbehoud in de hierboven beschreven zin mogelijk is, moet naar mijn mening de ratio van artikel 3:92 lid 2 BW tot uitgangspunt te worden genomen. Zoals in hoofdstuk 3 is gebleken, ligt aan de mogelijkheid om het eigendomsvoorbehoud te verbreden tot andere vorderingen dan de directe tegenprestatie ten grondslag dat bij gebreke van een zodanige mogelijkheid moeilijkheden zouden kunnen ontstaan bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.4 De verkoper zou dan namelijk een verband moeten leggen tussen de specifieke op te eisen zaken en de onbetaald gebleven vordering. Als gevolg daarvan zouden niet alleen problemen kunnen ontstaan met betrekking tot de toerekening van betalingen op bepaalde openstaande vorderingen, maar zouden vooral bewijsproblemen kunnen ontstaan voor de verkoper die meermaals dezelfde soort zaken levert aan de koper, omdat hij bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud duidelijk zou moeten maken op welke geleverde zaken zijn vordering betrekking heeft, omdat slechts ten aanzien van die zaken nog sprake is van een eigendomsvoorbehoud, dat kan worden uitgeoefend.
Deze ratio van het voorkomen van bewijsmoeilijkheden voor de verkoper biedt een belangrijke indicatie voor de toelaatbaarheid van het kredieteigendomsvoorbehoud. Zou het namelijk niet mogelijk zijn om de eigendom van geleverde zaken voor te behouden ter zake van vorderingen betreffende de tegenprestatie van in de toekomst nog te leveren zaken, zouden dezelfde bewijsproblemen zich weer kunnen doen gelden, indien opeenvolgend soortgelijke zaken worden geleverd en in de tussentijd de tegenprestatie voor de eerdere leverantie(s) reeds is voldaan. De ratio van artikel 3:92 lid 2 BW biedt derhalve steun voor de opvatting dat een kredieteigendomsvoorbehoud mogelijk is.
Bovendien wijst ook de tekst van artikel 3:92 lid 2 BW in de richting van de toelaatbaarheid van een dergelijk eigendomsvoorbehoud.5 Buiten kijf staat immers dat op grond van die bepaling een eigendomsvoorbehoud kan worden bedongen ter zake van vorderingen betreffende de tegenprestatie voor door de vervreemder aan de verkrijger krachtens overeenkomst nog te leveren zaken of krachtens een zodanige overeenkomst in de toekomst te verrichten werkzaamheden. Ook de toelichting op de uitbreiding van lid 2 noemt uitdrukkelijk de mogelijkheid om het eigendomsvoorbehoud te bedingen voor vorderingen betreffende de tegenprestatie van nog te leveren zaken en nog te verrichten werkzaamheden.6 Niet goed valt in te zien dat die mogelijkheid beperkt zou zijn tot toekomstige vorderingen die ontstaan voordat de koper de overige verschuldigde vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen, heeft voldaan. Dan zou de toelaatbaarheid van een eigendomsvoorbehoud voor toekomstige vorderingen namelijk afhangen van de tamelijk willekeurige omstandigheid in welke volgorde de toekomstige vorderingen ontstaan en de reeds bestaande vorderingen door de koper worden voldaan, terwijl niet goed valt in te zien waarom aan deze volgorde enige betekenis zou moeten worden toegekend.7
De in de literatuur tegen het kredieteigendomsvoorbehoud ingebrachte argumenten kunnen niet overtuigen. In de eerste plaats kan geen argument worden ontleend aan de tekst van artikel 3:92 lid 1 BW.8 Het artikellid formuleert namelijk slechts een vermoeden en biedt partijen uitdrukkelijk de mogelijkheid om een van lid 1 afwijkende invulling aan het eigendomsvoorbehoud te geven, zij het dat de grenzen van lid 2 daarbij in acht moeten worden genomen.9 Evenmin overtuigend is het bezwaar dat door voldoening van alle openstaande vorderingen de voorwaarde in vervulling gaat en de koper derhalve eigenaar wordt, omdat deze redenering neerkomt op een petitio principii.10 Als een kredieteigendomsvoorbehoud toelaatbaar is, houdt het tussen partijen overeengekomen eigendomsvoorbehoud namelijk juist in dat de voorwaarde niet in vervulling gaat indien in de toekomst nog vorderingen kunnen ontstaan die vallen onder de omschrijving van lid 2 van artikel 3:92 BW.11
Geconcludeerd moet dan ook worden dat een kredieteigendomsvoorbehoud mogelijk is. Een zodanig eigendomsvoorbehoud heeft tot gevolg dat de verkoper ook eigenaar blijft indien op een bepaald moment weliswaar alle openstaande vorderingen zijn voldaan, maar in de toekomst nog nieuwe vorderingen kunnen ontstaan die voldoen aan de omschrijving van artikel 3:92 lid 2 BW. Opmerking verdient dat, anders dan wel eens wordt aangenomen, in een dergelijk geval geen sprake is van een eigendomsvoorbehoud dat ‘herleeft’ als een nieuwe vordering ontstaat.12 Door de uitbreiding van het eigendomsvoorbehoud tot toekomstige vorderingen blijft de voorbehouden eigendom namelijk ook behouden voor de verkoper indien op een zeker moment geen vorderingen zijn verschuldigd. Van een tenietgaan van het eigendomsvoorbehoud en nadien weer tot stand komen, is dan ook geen sprake. Hoogstens kan worden gezegd dat het eigendomsvoorbehoud een sluimerend bestaan leidt, omdat het pas weer kan worden uitgeoefend indien de koper in gebreke blijft met de voldoening van een vordering waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen, hetgeen veronderstelt dat de desbetreffende vordering opeisbaar is. Ook gedurende de periode waarin het eigendomsvoorbehoud sluimert, blijft de verkoper evenwel eigenaar.