De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.1:5.3.1 Inleiding
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.3.1
5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de belangrijkste hervormingen van de 20e eeuw op het gebied van het strafrecht in Engeland was de hervorming van het recht omtrent vermogensdelicten. Deze hervorming kreeg gestalte door de invoering van de Theft Act in 1968.
Wat theft is, is opgenomen in s. 1(1) van de Theft Act 1968:
“A person is guilty of theft if he dishonestly appropriates property belonging to another with the intention of permanently depriving the other of it; and “thief” and “steal” shall be construed accordingly.”
Onder het theft-artikel vallen feiten die vroeger, onder de common law, als verschillende afzonderlijke feiten werden gezien, zoals larceny, larceny by a servant, embezzlement en fraudulent conversion.
Aan de wieg van de Theft Act 1968 stond de CLRC. Op 18 maart 1959 vroeg de toenmalige Home Secretary1 de CLRC:
“to consider, with a view to providing a simpler and more effective system of law, what alterations in the criminal law are desirable with reference to larceny and kindred offences and to such other acts involving fraud or dishonesty as, in the opinion of the committee, could conveniently be dealt with in legislation giving effect to the committee’s recommendations on the law of larceny.”2
De commissie oordeelde dat een “simpler and more effective system of law” verstrekkende veranderingen van het toentertijd geldende recht met betrekking tot de vermogensdelicten eiste. Volgens de commissie waren amendementen op het toenmalige systeem niet voldoende, maar was een geheel nieuwe wet noodzakelijk. De oude delictsomschrijvingen bleken na onderzoek zo gebrekkig te zijn, dat het nodig was om terug te keren naar de basis, om vast te stellen wat de essentiële bestanddelen van de delicten waren en om dienovereenkomstig strafbepalingen op te stellen.3 De belangrijkste gebreken van het toen geldende recht waren volgens de commissie in de eerste plaats zijn moeilijkheid en complexiteit, en in de tweede plaats het niet strafbaar stellen van bepaalde vormen van oneerlijkheid die zeker strafbaar zouden moeten zijn.4 Alvorens over te gaan tot een bespreking van de voorstellen van de CLRC en de Theft Act 1968 bespreek ik hieronder kort het toentertijd geldende recht met betrekking tot de vermogensdelicten en de door de CLRC gesignaleerde problemen.