Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.0
Introductie
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS347985:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 13, eerste lid Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dit gold vóór inwerkingtreding van de Wet Herziening Deelnemingsvrijstelling (Wet van 25 april 1990, Staatsblad 1990, 173).
Voor een uitzondering op de regel zij onder meer verwezen naar Hof Arnhem, MK I, 6 december 1994, nr. 93/0668, V-N 1995, blz. 1101-1103.
Zie in dit verband wetsvoorstel nr. 24 696 betreffende een algemene herziening van art. l3ca Wet Vpb. 1969. Dit is een wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de fiscale infrastructuur. Blijkens de nota van wijziging is daarbij niet de bedrijfswaarde van de deelneming van belang, maar bepalend voor een mogelijke afwaardering is de waarde welke de deelneming in het economische verkeer heeft. Er zij tevens verwezen naar paragraaf 4.12.6.
De problematiek van de bedrijfswaarde in relatie tot deelnemingen heeft een geheel eigen dynamiek. In de periode dat de zogenaamde `annaal bezitseis' voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting gold1, is veelvuldig over de bedrijfswaarde van deelnemingen geprocedeerd.
Pogingen van belanghebbenden om een afwaarderingsverlies op een deelneming fiscaal te gelde te maken, hebben vrijwel allemaa12 schipbreuk geleden.
Ook onder de huidige Wet op de vennootschapsbelasting 1969 blijft de waardering van deelnemingen relevant in situaties waarin de deelnemingsvrijstelling niet geldt. Te denken valt daarbij aan:
deelnemingen aangehouden door fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet Vpb. 1969 (art. 13, vierde lid, Wet Vpb. 1969)
deelnemingen in fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet Vpb. 1969 (art. 13, vijfde lid, eerste volzin, Wet Vpb. 1969)
bezittingen in deelnemingen in buiten Nederland gevestigde dochtermaatschappijen die niet subjectief zijn onderworpen aan een belasting die aldaar in enige vorm naar de winst wordt geheven (art. 13a, eerste lid, Wet Vpb. 1969)
art. 13ca-deelnemingen inclusief deelnemingen gehouden in zogenaamde `tante Agaath-participatiemaatschappijen' (art. l3ca Wet Vpb. 1969)3
deelnemingen van ten minste 25% in ter beurze te Amsterdam genoteerde fiscale beleggingsinstellingen ex art. 28 Wet Vpb. 1969 waarvoor een verplicht waarderingsvoorschrift geldt. In beginsel dienen deze deelnemingen te worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (art. 28, vierde lid, Wet Vpb. 1969)