Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.5.2
15.5.2 Grenzen van de rechtsstrijd en art. 8:69 Awb
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940219:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.10.3.2.
Van Buuren & Borman 2011, p. 730. Zie voor enkele voorbeelden: CRvB 18 maart 2004, JB 2004/192, ABRvS 2 juni 2004, AB 2004/340.
Zie de jurisprudentieverwijzingen bij Van Buuren & Borman 2011, p. 737.
HR 27 juni 1990, BNB 1990/253.
Volgens Albert volgt dat inderdaad uit HR 26 september 2003, BNB 2004/63 (Albert 2005, p. 257), hoewel de Hoge Raad in dat arrest naar mijn mening als uitgangspunt neemt dat de belastingplichtige (wel) aan zijn stelplicht voldoet. Zie ook paragraaf 12.4.1.3.
Feteris 2002, p. 277 en p. 360-361.
Zie paragraaf 12.4.1.3.
Zie paragraaf 12.4.1.3.
In strafrechtelijke termen kan het tenlastegelegde feit, hoewel bewezenverklaard, dan niet als een strafbaar feit worden gekwalificeerd. Technisch-juridisch is er dus sprake van een fiscaal-bestuursrechtelijke variant van de figuur ‘ontslag van alle rechtsvervolging’ (OVAR) uit het strafrecht (wegens niet-strafbaarheid van het feit). Zie voor een voorbeeld: Rb Noord-Nederland 12 juli 2018, V-N 2018/55.17 (met name r.o. 6.6).
In Hof Arnhem-Leeuwarden 7 november 2017, V-N 2018/11.3 bleef een dergelijke boete in stand, nadat de inspecteur er in eerste aanleg (ter zitting van de rechtbank) mee akkoord was gegaan dat de vergrijpboete werd vastgesteld op basis van grove schuld en dus werd verlaagd naar 25 % (r.o. 23 van de uitspraak in eerste aanleg). Naar mijn mening is dat bij wijze van compromis mogelijk, maar blijkens de uitspraak van het Hof was de boete in hoger beroep nog wel in geschil (r.o. 4.15-4.16) en had het Hof deze dus ambtshalve kunnen vernietigen.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2022, V-N 2022/33.15, r.o. 4.8.
HR 11 april 2003, V-N 2003/22.5, BNB 2003/264.
Vanwege de schakelbepaling zal dat niet vaak voorkomen (tenzij partijen de boete uitdrukkelijk uitsluiten).
HR 20 december 1989, BNB 1990/102, nadien diverse keren bevestigd in HR 21 oktober 1992, BNB 1993/8, HR 10 maart 1993, BNB 1993/164 en HR 28 november 2003, BNB 2004/79. Zie echter ook paragraaf 9.4.14.3, waarin ik aangeef dat er aanwijzingen zijn dat de Hoge Raad inmiddels wellicht een ambtshalve toetsing van de mededelingsplicht zal toestaan. In de feitenrechtspraak komt dat ook inderdaad voor.
Zie paragraaf 9.4.14.1, paragraaf 7.3.4.4 en paragraaf 7.3.10.3.3. De Hoge Raad lijkt hierbij geen onderscheid te maken tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete, zie bijvoorbeeld HR 16 december 2022, V-N 2022/56.19, BNB 2023/31.
Zie paragraaf 12.3.3 en paragraaf 15.2.3.
Zie voor een overzicht in paragraaf 9.4.19.
Zie voor enkele voorbeelden Hof Den Haag 16 november 2016, V-N 2017/11.5 (waarin de boeteling in feite had volstaan met een enkele stelling, waarna het Hof tijdens de zitting nader onderzoek pleegde) en Rb Zeeland-West-Brabant 30 maart 2018, V-N 2018/48.13.13, r.o. 2.6 (een zuivere ambtshalve aanvulling van een rechtsgrond).
Zie paragraaf 14.4.
HR 5 februari 2010, BNB 2010/131. Het betrof hier een geval waarin alleen de inspecteur in hoger beroep was gekomen, doch niet tegen het rechtbankoordeel over de boete. Het Hof had niettemin, onder de toepassing van de schakelbepaling, een oordeel over de boete gegeven. Daarmee trad het Hof buiten de rechtsstrijd. Naar mijn mening is daarin geen verandering gekomen door de inwerkingtreding van de huidige schakelbepaling in 2023, zie Kamerstukken II 2021/22, 36 107, nr. 3, p. 7-8 en 38-39.
Art. 24a lid 2 AWR. Zie daarover nader paragraaf 15.4.3.1 hiervoor. Dat geldt zelfs als de boeteling eerder (in bezwaar of in eerste aanleg) nog helemaal geen gronden tegen de boete had aangevoerd, zie Kamerstukken II 2021/22, 36 107, nr. 3, p. 38.
HR 28 oktober 2011, V-N 2011/53.15, BNB 2012/25, waarover nader in paragraaf 15.4.3.1 hiervoor.
HR 5 februari 2010, BNB 2010/131 (de inspecteur was in hoger beroep niet tegen de boete opgekomen). Destijds kende elke procesfase overigens nog een afzonderlijke schakelbepaling, zie paragraaf 15.4.3.1. Het is denkbaar dat de doorwerking van de huidige schakelbepaling naar latere procesfasen, die de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd, een ander licht op de zaak werpt. Zie over die doorwerking nader paragraaf 15.4.3.1.
HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4, BNB 2016/238, r.o. 2.4.1-2.4.3, waaromtrent nader in paragraaf 14.4.4.3.1. Als de inspecteur dat heeft gedaan, maar zijn (principale) hoger beroep vervolgens intrekt terwijl de boeteling zelf geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, blijft een ambtshalve passend en geboden-toets door het Hof echter achterwege, zie HR 23 maart 2018, V-N 2018/16.6. De uitspraak van de rechtbank blijft dan in stand.
Zie omtrent deze begrippen nader paragraaf 9.4.1.3. Het gaat vooral om de verhouding tussen de (bewoordingen van) r.o. 2.4.2 en r.o. 2.4.3 van het arrest.
Zie ook paragraaf 14.4.4. Zoals ik daar ook heb verdedigd, houdt het zelfstandige karakter van het passend-en-geboden toets naar mijn opvatting niet in dat de strafmaat van openbare orde is. Wanneer de inspecteur noch de boeteling in hoger beroep opkomt tegen de strafmaat, mag de appelrechter die strafmaat immers niet zelfstandig vaststellen (de boeteling kan, mits expliciet, aangeven dat zijn beroep alleen is gericht tegen de aanslag). Anders: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4. Vgl. ook HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, r.o. 5.2.7 (waaromtrent nader paragraaf 12.3.3), waarin de Hoge Raad zich eveneens bediende van de term ‘ambtshalve (…) onderzoeken’. Uit dat arrest volgt ondubbelzinnig dat verjaring bij boetes een vraagstuk van openbare orde is, waarvoor een zelfstandige onderzoeksplicht (in plaats van een ambtshalve toetsingsplicht) geldt.
Zie daarover nader paragraaf 14.4.4.3.6. Vgl. ook de motivering van de verwijzingsbeslissing uit HR 10 maart 2017, V-N 2017/14.10, waarover nader in paragraaf 12.3.4.1.
In Hof Den Haag 10 oktober 2017, V-N 2018/7.20, had de belastingplichtige geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de boete gericht, maar beoordeelde het Hof (net als de rechtbank) wel de strafmaat. Idem: Hof ’s-Hertogenbosch 16 november 2017, V-N 2018/20.16.
Art. 8:69 Awb, dat de rechter verbiedt om zich buiten de grenzen van de rechtsstrijd te begeven,1 geldt evenzeer voor de fiscale bestuurlijke boete. Binnen het algemene bestuursrecht bestaat een tamelijk terughoudende opvatting over dit leerstuk: dat er sprake is van een punitieve sanctie, noopt niet tot ambtshalve toetsing.2 De rechter kan de bestuurlijke boete dus niet verminderen of vernietigen op grond van in het geheel niet aangevoerde gronden.3 Ook in het fiscale bestuursrecht stelt de rechter in beginsel alleen een onderzoek in naar de feiten zoals die in geschil zijn: partijen bepalen de omvang van het geding.4 Dat zou betekenen dat de rechter de boete niet ambtshalve mag toetsen wanneer de boeteling geen stellingen heeft ingenomen die gericht zijn tegen de opgelegde boete.5 Volgens Feteris verzet art. 6 EVRM zich daar niet tegen.6 Ook de Awb-wetgever is van mening dat deze toepassing van artikel 8:69 Awb bij een beroep tegen een boetebeschikking niet in strijd komt met het EVRM.7
Naar mijn mening ligt de zaak echter genuanceerder. Gelet op de onschuldpresumptie heeft de rechter ten aanzien van de centrale stellingen steeds een ambtshalve toetsingsplicht.8 De boete wordt in fiscalibus vanwege de schakelbepaling bovendien steeds betwist.9 De rechter moet dus altijd nagaan of de inspecteur op basis van het beschikbare dossier voldoende bewijs van de centrale stellingen heeft aangedragen. Dat betekent ook dat de rechter een boete ambtshalve moet vernietigen als het gemaakte verwijt als zodanig wel kan worden bewezen, maar niet past binnen de elementen van de delictsomschrijving (ook al voert de boeteling dat niet aan).10 Een vergrijpboete ex art. 67d AWR, waarbij de boeteling grove schuld wordt verweten, kan niet in stand blijven, omdat daarvoor opzet is vereist.11 Een vergrijpboete ex art. 67f AWR kan niet overeind blijven als die is onderbouwd met feitelijkheden die het beboetbare feit van art. 10a AWR opleveren.12 Als de rechter in zulke gevallen ambtshalve ingrijpt, is er in termen van art. 8:69 Awb louter sprake van de ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden (lid 2).
Voor het overige moet de rechter de grenzen van de rechtsstrijd, ook ten aanzien van de centrale stellingen, wel degelijk in acht nemen. De rechter treedt bijvoorbeeld buiten de rechtsstrijd wanneer hij zelfstandig een andere schuldgradatie aanneemt dan de inspecteur heeft gesteld.13 De centrale stellingen worden immers steeds ingenomen door de inspecteur: meer of anders dan hij heeft gesteld is per definitie niet in geschil. Ook kan de rechter de boete niet toetsen wanneer partijen de boete in het geheel niet tot voorwerp van het geschil hebben gemaakt.14
Bij perifere stellingen moet de rechter in algemene zin (wel) terughoudend zijn. Wanneer hij bijvoorbeeld een schending van de mededelingsplicht of een motiveringsgebrek vaststelt, zonder dat de boeteling dat tot voorwerp van het geschil heeft gemaakt, kan hij daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd treden.15 Het voorgaande neemt niet weg, dat de rechter in enkele gevallen een zelfstandige onderzoeksplichtheeft (vraagstukken van openbare orde,16 verjaring17). In termen van art. 8:69 Awb kan er daarbij sprake zijn van ambtshalve aanvulling van zowel de rechtsgronden (lid 2) als de feiten (lid 3). Bovendien heeft de rechter bij veel perifere stellingen – althans in mijn opvatting – een ambtshalve toetsingsplicht.18
Binnen de grenzen van de rechtsstrijd kan de rechter naar mijn mening zo actief te werk gaan als hem goeddunkt.19 Dat geldt in het bijzonder voor de beoordeling van de strafmaat, aangezien de rechter op dat punt vol toetst en een zelfstandige, rechterlijke taak vervult.20
Ook de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep wordt bepaald door partijen. De appelrechter kan het oordeel van de rechtbank over de boete dus niet toetsen als de boete in hoger beroep niet langer in geschil is.21 In gevallen waarin de boeteling in (incidenteel) hoger beroep is gekomen, zal de boete vanwege de schakelbepaling echter steeds in geschil zijn.22 In hoeverre dat ook geldt wanneer alleen de inspecteur in hoger beroep is gekomen, is minder duidelijk. Op zichzelf geldt de schakelbepaling volgens de Hoge Raad in hoger beroep evenzeer voor de inspecteur.23 De Hoge Raad heeft echter ook geoordeeld dat de enkele toepassing van de schakelbepaling nog niet meebrengt dat de boete ter beoordeling van de appelrechter staat.24
Voor wat betreft de strafmaat geldt, dat de appelrechter daarover kan oordelen als de inspecteur die strafmaat in hoger beroep ter discussie heeft gesteld.25 De Hoge Raad gaf helaas geen aanwijzingen over de vraag hoe ver de toetsing door de appelrechter kan of mag gaan. De Hoge Raad overwoog dat een ‘ambtshalve onderzoek’ moet volgen, maar of hij daarbij een ambtshalve toetsingsplicht of een zelfstandige onderzoeksplicht voor ogen heeft gehad, is niet vast te stellen.26 Naar mijn mening ligt het voor de hand dat de Hoge Raad hierbij de volle rechterlijke toetsing van de strafmaat heeft bedoeld. Dat betekent dat de rechter geheel zelfstandig bepaalt hoe hoog de boete moet zijn (passend en geboden).27 Wat matigingsgronden betreft is er dan in wezen sprake van een ambtshalve toetsingsplicht.28 Dit geldt (ook) in alle gevallen waarin de boeteling in hoger beroep komt, ongeacht de vraag of de boete louter via de schakelbepaling of uit hoofde van een daarop toegesneden (incidentele) beroepsgrond tot het geschil is gaan behoren.29