Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.16:7.16 Conclusie
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.16
7.16 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692235:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
434. In dit hoofdstuk heb ik uiteengezet hoe het rechterlijk bevel en verbod op dit moment in het Nederlandse recht zijn geregeld. In het bijzonder ben ik ingegaan op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voordat een vordering strekkende tot een bevel of verbod kan worden toegewezen. Als uitgangspunt en hoofdregel geldt dat het nakomen van rechtsplichten met een rechterlijk bevel of verbod kan worden afgedwongen. Daarin is ook een beperking gelegen: slechts de nakoming van die rechtsplicht kan worden afgedwongen. Een rechterlijk bevel of verbod kan niet een rechtmatig handelen verbieden of iets gebieden waartoe iemand niet op grond van een rechtsplicht gehouden is. Voor het preventief geven van een bevel of verbod is vereist dat er een reële dreiging is van de schending van de rechtsplicht. Als algemene randvoorwaarde geldt ook voor het rechterlijk bevel en verbod dat voldaan moet zijn aan het relativiteitsvereiste. De vergelijking met het Belgische recht laat juist op dat punt een verschil zien. Weliswaar is een op preventie gerichte rechterlijke uitspraak ook in België te verkrijgen, maar het ontbreken van het relativiteitsvereiste maakt de gebondenheid aan het schadebegrip extra belangrijk.
435. In het voorgaande hoofdstuk (nummer 292) heb ik geconcludeerd dat een preventieve remedie effectief is wanneer zij
materiële rechten kan afdwingen;
tijdig is;
een afschrikkende functie heeft; en
proportioneel is.
Het is te vroeg om nu al te concluderen of het rechterlijk bevel en verbod aan die eisen voldoen. Die balans kan ik pas aan het eind van dit boek opmaken. Wel kan ik nu al zeggen dat de voorwaarden die gesteld zijn aan het verkrijgen van een rechtelijk bevel of verbod aan een effectieve toepassing daarvan niet in de weg staan. Het karakter van het rechterlijk bevel of verbod is dat het op de toekomst is gericht en dus preventief werkt. Daarmee kan het rechterlijk bevel of verbod een krachtig middel zijn om schending van een rechtsplicht te voorkomen en daarmee om (preventief) materiële rechten af te dwingen. Ik zal hierna (paragraaf 10.2.4) nader ingaan op de mogelijkheden die het kort geding biedt voor het rechterlijk bevel en verbod, maar ik kan nu al zeggen dat het gegeven dat het mogelijk is om in kort geding een rechterlijk bevel of verbod te verkrijgen, meebrengt dat de remedie in ieder geval theoretisch tijdig beschikbaar is. De congruentie-eis kan vragen oproepen over het afschrikkende karakter van de remedie: als de rechter alleen kan verbieden wat al verboden is of iets kan gebieden waartoe iemand al gehouden is, lijkt dat een weinig overtuigend middel om iemand ergens toe te bewegen. Die conclusie zou de waarde van het rechterlijk oordeel onderschatten. Bovendien zal het rechterlijk bevel en verbod in de regel vergezeld gaan van een dwangsom (of in een zeldzaam geval van lijfsdwang). De dwangsom op zijn beurt kan niet zonder het bevel of verbod bestaan. Juist de combinatie van een rechterlijk bevel of verbod met een dwangsom zal afschrikkend kunnen werken, zij het in de eerste plaats voor de veroordeelde en niet zonder meer in bredere zin. Op de manier waarop de proportionaliteit van de remedie kan worden gewaarborgd, ga ik in hoofdstuk 10 in.
436. Om nader te onderzoeken of de remedie ook daadwerkelijk effectief is, bespreek ik in het volgende hoofdstuk de afwijzingsgronden.