Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.4.2.2
4.4.2.2 De analoge toepassing van de wettelijke opzegtermijnen
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855316:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Trap, ArbeidsRecht 1998/51; Van der Pijl, ArbeidsRecht 1999/57; Houweling 2021, p. 830. De door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn bedraagt overigens gedurende de eerste vijf jaar van de arbeidsovereenkomst één maand, welke termijn voor iedere opvolgende periode van vijf jaar met één maand wordt verlengd totdat het maximum van vier maanden is bereikt (art. 7:672 lid 2 BW). Die van de principaal is vier maanden, vermeerderd met een maand na drie jaren looptijd van de overeenkomst en met twee maanden na zes jaren (art. 7:437 lid 1 BW).
Ik zou het zelfs niet vreemd vinden als deze opdrachtnemer aanspraak heeft op een langere opzegtermijn dan de werknemer, nu laatstgenoemde ook andere (opzeggings)bescherming geniet, zoals een transitievergoeding (art. 7:673 BW).
Waar de handelsagent een vaste relatie met de principaal heeft, heeft de opdrachtnemer met een duurovereenkomst die doorgaans met de opdrachtgever. Zie in vergelijkbare zin Boot 2005, p. 44, 45 en 152.
Zo’n analoge toepassing hoeft overigens niet per definitie tot een billijke uitkomst te leiden. Ook als wordt aangesloten bij deze termijnen, kan de lengte van de opzegtermijn in bepaalde gevallen bijv. te kort zijn. De reden hiervan kan zijn gelegen in het feit dat de werknemer en handelsagent op andere manieren inkomenszekerheid wordt geboden, zoals via een transitievergoeding (art. 7:673 BW) (zie par. 4.4.3) en een WW-uitkering resp. een klantenvergoeding (art. 7:442) (zie par. 4.4.3).
In de vorige paragraaf heb ik verschillende opzegregelingen onder de loep genomen in het kader van een eventuele wettelijke fixatie van een opzegtermijn bij de duurovereenkomst van opdracht. De opzegtermijnen uit deze regelingen kunnen ook interessant zijn zonder zo’n wettelijke verankering, in die zin dat zij wellicht analoog kunnen worden toegepast op de situatie waarin een redelijke opzegtermijn moet worden vastgesteld (zie paragraaf 4.3.2.1). In de rechtsliteratuur is wel bepleit dat aansluiting zou kunnen worden gezocht bij de termijnen uit het arbeidsovereenkomstenrecht (artikel 7:672 lid 2 BW), voor zover het gaat om een BBA-opdrachtnemer (zie paragraaf 4.4.1), of het agentuurrecht (artikel 7:437 lid 1 BW).1 Door de afschaffing van de BBA-bescherming per 1 juli 2015, waarin de wetgever nadrukkelijk lijkt te hebben gekozen voor een systeem waarin de werknemer en schijnzelfstandige de arbeidsovereenkomstrechtelijke opzeggingsbescherming genieten en de ‘echte’ opdrachtnemer niet (zie paragraaf 4.4.1), is het de vraag of het naar analogie toepassen van het arbeidsovereenkomstenrecht ten aanzien van niet-werknemersverhoudingen nog een optie is. Onder omstandigheden zie ik daar zeker aanleiding toe, in het bijzonder ten aanzien van de opdrachtnemer aan de onderkant.2 Deze opdrachtnemer vertoont namelijk gelijkenissen met de afhankelijke positie van de werknemer. Dit geldt ook voor de agentuurovereenkomst, die een species van het genus van de overeenkomst van opdracht vormt en waarvan de juridische positie van de handelsagent in veel gevallen te vergelijken is met die van de opdrachtnemer aan de onderkant, aangezien zij beiden niet in een gezagsverhouding tegen loon arbeid verrichten, maar veelal toch in (economische) afhankelijkheid verkeren ten opzichte van hun wederpartij.3 Bovendien ziet de analoge toepassing ‘slechts’ op de lengte van de opzegtermijn en niet op het ontstaan van dat recht, nu dit recht volgt uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) (zie paragraaf 4.3.2.1). Oftewel: ten aanzien van de opgezegde opdrachtnemer aan de onderkant ligt het naar mijn overtuiging in de rede dat voor de vaststelling van de lengte van de uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende opzegtermijn van de opdrachtgever, een parallel kan worden getrokken met de termijnen uit het arbeidsovereenkomstenrecht of het agentuurrecht.4