Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/7.6.1
7.6.1 Loon voor werken en pensioeninkomen volgens adviezen en plannen
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943374:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het betere werk 2020, p. 112.
Het betere werk 2020, P. 227.
Het betere werk 2020, p. 229.
Het betere werk 2020, p. 229.
Wetboek van Werk 2025, p. 23.
Wetboek van Werk 2025, p. 15.
Aarts, in: SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch 2022, art. 7:658 BW.
Wetboek van Werk 2025, p. 15 en 16.
Wetboek van Werk 2025, onder 5.2.
Wetboek van Werk 2025, p. 30.
Wetboek van Werk 2025, p. 26.
Wetboek van Werk 2025, p. 36.
Rapport Commissie Regulering van Werk 2020, p. 72.
Rapport Commissie Regulering van Werk 2020, p. 11.
Rapport Commissie Regulering van Werk 2020, p. 67.
Rapport Commissie Regulering van Werk 2020, p. 67 en 73.
Rapport Commissie Regulering van Werk 2020, p. 73 en 74.
Rapport Commissie Regulering van Werk 2020, p. 74.
Rapport Commissie Regulering van Werk 2020, p. 69-72.
Rapport Commissie Regulering van Werk 2020, p. 13 en 81.
SER-advies 21/08, p. 19 en 20.
SER-advies 21/08, p. 20.
SER-advies 21/08, p. 20.
SER-advies 21/08, p. 24.
SER-advies 21/08, p. 24.
SER-advies 21/08, p. 23 en 24.
SER-advies 21/08, p. 20.
Conceptwetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden, internetconsultatie.nl 6 oktober 2023.
Kamerstukken II 2022/23, 29 544, nr. 1176, p. 27; conceptwetsvoorstel Wet meer zekerheid flexwerkers, internetconsultatie.nl 9 juli 2023.
Kamerstukken II 2022/23, 29 544, nr. 1176, p. 27; conceptmemorie van toelichting bij Wet meer zekerheid flexwerkers, internetconsultatie.nl 9 juli 2023.
Art. 10.11 Wet inkomstenbelasting 2001 en art. 150a Pensioenwet. Zie hierover Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 3 (MvT bij Wet toekomst pensioenen).
Kamerstukken II 2021/22, 29 544, nr. 1112, p. 20 (Hoofdlijnenbrief Arbeidsmarktbeleid).
De WRR wijst erop dat het moeilijk is van goed werk te spreken als het loon lager ligt dan dat van naaste collega’s of mensen met hetzelfde opleidingsniveau.1 Concurrentie op arbeidsvoorwaarden tussen werkende mensen met verschillende contractvormen moet worden voorkomen, aldus de WRR.2
Wat betreft het pensioen adviseert de WRR een stelsel van contractneutrale basisverzekeringen en voorzieningen te ontwikkelen. Sociale voorzieningen en verzekeringen moeten meer worden gekoppeld aan individuen en minder aan het al dan niet hebben van een contract en de afspraken tussen werknemer en werkgever, aldus de Raad.3 Het stelsel zou inhouden dat er standaardarrangementen zijn waarmee iedereen zich tot op bepaalde hoogte verzekert voor alle sociale risico’s, waaronder ouderdom. Daarbovenop kan men zich naargelang wensen en mogelijkheden bijverzekeren. Dat zou er volgens de WRR voor zorgen dat meer mensen in zichzelf gaan investeren en meer risico’s durven nemen.4
Het WvW hanteert een zo ruim mogelijk bereik en introduceert daartoe het begrip ‘werker’. Eenieder die als werker kwalificeert valt onder de arbeidsrechtelijke beschermingsbepalingen uit het WvW. Onder ‘werker’ wordt in het WvW verstaan ‘een persoon die arbeid verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de ander, de werkverschaffer’.5 Daarbij wordt opgemerkt dat deze formulering niet nieuw is, maar dat in art. 7:658 lid 4 BW een soortgelijke formulering de reikwijdte van het artikel bepaalt.6 Uit dat lid volgt dat een onderneming aansprakelijk is voor schade die personen lijden in de uitoefening van werkzaamheden die zij verrichten in de uitoefening van het beroep of bedrijf van die onderneming. De zinsnede ‘in de uitoefening van het beroep of bedrijf’ duidt er in die context op dat het moet gaan om werkzaamheden die de onderneming ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten of werkzaamheden waarbij de onderneming leiding en toezicht uitoefent. Activiteiten die normaal gesproken niet in het betreffende bedrijf worden verricht, vallen dus buiten de reikwijdte van art. 7:658 BW. Als klassiek voorbeeld wordt daarbij vaak genoemd dat de werkzaamheden van een schilder die het pand van een advocatenkantoor komt schilderen, niet worden verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van het advocatenkantoor.7 Om onder de definitie van werker in het WvW te vallen, moet de werker dus werkzaamheden verrichten die ook door werknemers van de werkverschaffer hadden kunnen worden verricht.
Personen die voor particulieren werken, vallen niet onder de definitie van ‘werker’ in het WvW.8
De WML voorziet voor alle ‘werkers’ in het wettelijk minimumloon, vanwaar in het WvW op dit punt geen aanbevelingen worden gedaan. Wel wordt de overheid aangemoedigd te waarborgen dat werkverschaffers aan zzp’ers bepaalde minimumtarieven betalen.9
Voorts moet ingevolge het WvW in de Waadi worden opgenomen dat werkers niet minder gunstige arbeidsvoorwaarden mogen genieten dan vergelijkbare werk(nem)ers bij de inlener.10 De exacte implicatie van deze gelijke-behandelingsnorm is onduidelijk. De term ‘inlener’ doet immers vermoeden dat deze gelijke-behandelingsverplichting alleen geldt als sprake is van terbeschikkingstelling, terwijl men ook als werker kan kwalificeren als geen sprake is van terbeschikkingstelling. Bovendien wordt in het WvW eveneens het idee geopperd om de binding van werkers aan een cao te institutionaliseren. Gebondenheid van werkers aan een cao hangt dan af van de onderneming waarvoor de werker werk verricht.11 Beloningsbepalingen uit een cao zouden dan van toepassing zijn op eenieder die arbeid verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de onderneming in kwestie, of zij dat nu onder toezicht en leiding van deze onderneming doen of niet. In het WvW wordt niet aangegeven of en in hoeverre bij cao afwijkende beloningsbepalingen overeen kunnen worden gekomen voor arbeidskrachten die uitbesteed werk verrichten.
Het WvW neemt als uitgangspunt een contractvormneutrale regeling van aanvullend pensioen. De opstellers vinden een verplicht pensioen voor alle werkers, waaronder zzp’ers, voor de hand liggen.12
De Commissie beoogt op werkenden de arbeidsvoorwaarden toe te passen die van toepassing zijn bij de feitelijk werkgever. De feitelijk werkgever zou zoveel mogelijk ook de juridisch werkgever moeten zijn. In driehoeks- en meerpartijenrelaties, zoals payrolling, contracting, detachering of uitzending, wordt de eigenaar of exploitant van de onderneming waarin of waarvoor arbeid wordt verricht, als werkgever aangemerkt. Hierop gelden drie uitzonderingen. De eerste uitzondering betreft werkgevers die een allocatiefunctie vervullen.13 Het is dan gerechtvaardigd dat de feitelijk en juridisch werkgever niet dezelfde zijn, maar niet dat uitzendwerknemers tegen minder gunstige arbeidsvoorwaarden werken dan werknemers van de inlener.14 Werknemers in arbeidsrechtelijke driehoeksrelaties moeten dezelfde primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden ontvangen als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de onderneming waar de werknemer feitelijk werkzaam is, aldus de Commissie.15 De mogelijkheid om van deze gelijke-behandelingsverplichting voor uitzendkrachten af te wijken bij cao, moet volgens de Commissie worden geschrapt.16 De afwijkingsmogelijkheid zoals die nu in art. 8 Waadi opgenomen is, verdwijnt dan dus volledig.
Ook in het geval van intra-concerndetachering of collegiale in- en uitlening mag feitelijk en juridisch werkgeverschap volgens de Commissie gescheiden zijn, mits de terbeschikkingstelling tijdelijk is.17 Als laatste uitzondering noemt de Commissie de situatie waarin onduidelijkheid bestaat over de vraag bij welke partij leiding en toezicht berusten. Deze uitzondering brengt een rechtsvermoeden met zich mee. Dit vermoeden houdt in dat de uitbestedende opdrachtgever op wiens locatie het werk wordt verricht wordt vermoed de werkgever te zijn. Het vermoeden kan worden weerlegd indien in rechte wordt aangetoond dat de partij, bijvoorbeeld een detacheerder of contractor, die de werknemer inzet bij een opdrachtgever in het kader van uitbesteding van werk door de opdrachtgever aan deze detacheerder of contractor, een zelfstandige en inhoudelijke rol vervult bij totstandkoming en uitvoering van de arbeidsovereenkomst en de werkzaamheden van de werknemer behoren tot de onderneming van deze detacheerder of contractor. Voor de vraag of daaraan wordt voldaan acht de commissie relevant of de werknemer onderdeel is van de organisatie van de partij die hem inzet bij de opdrachtgever en of de activiteiten die de werknemer verricht ook behoren tot de reguliere ondernemingsactiviteiten van de partij die hem inzet bij de opdrachtgever. Indien de detacheerder of contractor erin slaagt het vermoeden te weerleggen, geldt hij dus als juridisch werkgever.18 De Commissie lijkt de relatie tussen contractor of detacheerder, opdrachtgever en werknemer dan niet meer als een arbeidsrechtelijke driehoeksrelatie te zien, waardoor de arbeidsvoorwaarden zoals die bij de opdrachtgever gelden niet op de werknemer hoeven te worden toegepast. De detacheerder of contractor lijkt dan, in de visie van Commissie, een eigen arbeidsvoorwaardenbeleid te mogen voeren.
Wat betreft het loon voor werken van zzp’ers lijkt de Commissie geen voorstander van invoering van een minimumtarief. In plaats daarvan stelt de Commissie voor het gezagscriterium uit de arbeidsovereenkomst te moderniseren, door in de wet op te nemen dat inbedding in de organisatie van de werkgevende en de activiteiten die worden verricht medebepalend zijn voor de uitleg van het begrip ‘gezag’. Daarbij zou, wat betreft de commissie, moeten gelden dat een arbeidskracht die arbeid persoonlijk en tegen beloning verricht, werknemer is, tenzij door de werkgevende (opdrachtgever) kan worden aangetoond dat de werkende een zelfstandige betreft. Met deze benadering verwacht de Commissie dat een groot deel van de huidige zelfstandigen onder de WML zal vallen. Het deel dat overblijft moet volgens de Commissie in staat worden geacht zich staande te houden op de productmarkten.19
De Commissie vindt een aanvullende voorziening in het fundament voor alle werkenden, bovenop de huidige AOW, in de toekomst voor de hand liggen. Het is volgens de Commissie denkbaar dat werkenden in de toekomst meer naar elkaar toegroeien wat betreft aanvullende pensioenen.20
De SER meent dat de arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten vanaf de eerste werkdag ten minste gelijkwaardig moeten zijn aan het totaal van arbeidsvoorwaarden van werknemers in gelijkwaardige functies in dienst van de inlener.21 De mogelijkheid hiervan af te wijken bij cao hoeft wat betreft de SER niet te verdwijnen, maar dient wel aan nadere regelgeving te worden gebonden. Het arbeidsvoorwaardenpakket dat na afwijking overblijft moet ten minste gelijkwaardig zijn aan het pakket van werknemers van de inlener in gelijkwaardige functies.22 De SER laat andere vormen van uitbesteding grotendeels buiten beschouwing. Kort worden twee ongewenste vormen van contracting geadresseerd. Het betreft contracting die in wezen uitzenden is en contracting die zo wordt vormgegeven dat er niet langer een cao van toepassing is op de arbeid. Deze ongewenste vormen moeten volgens de SER vooralsnog worden geadresseerd in een ‘code verantwoord arbeidsmarktgedrag’. Met die code wordt aandacht gevraagd voor de prijs en kwaliteit van arbeid in brede zin bij uitbesteding van werk. Die code moet bindend en handhaafbaar zijn voor werkgevers, opdrachtgevers en werknemers, vanwaar er ook een codekamer met onafhankelijke voorzitter ingesteld moet worden. In een later stadium kunnen dan indien nodig alsnog nadere voorstellen worden gedaan om deze contracting-vormen te beteugelen, aldus de SER.23
De SER stelt voor een rechtsvermoeden van werknemerschap in te voeren, gekoppeld aan het tarief dat arbeidskrachten verdienen. Indien dat tarief onder het maximumdagloon uitkomt (€ 30 à € 35 per uur) en de werkende meent werknemer te zijn, moet de opdrachtgever het tegendeel bewijzen bij de rechter.24 De SER wijst tevens op de mogelijkheden die de ACM en de Europese Commissie bieden voor het collectief onderhandelen voor zzp’ers over het tarief. In overleg met de ACM zou bekeken moeten worden in hoeverre die mogelijkheden opgerekt kunnen worden teneinde voor zelfstandigen een eerlijk en toereikend tarief te waarborgen.25
De SER bepleit geen loskoppeling van het pensioen van de arbeidsrelatie. De SER benadrukt dat de in het pensioenakkoord gemaakte afspraken, onder andere ten aanzien van het pensioen van zzp’ers, moet worden uitgewerkt en geïmplementeerd.26
Ook merkt de SER nog expliciet op dat het pensioen voor uitzendkrachten het beste in een afzonderlijk pensioenarrangement te regelen is, maar deze moet toegroeien naar een marktconform niveau.27
Het kabinet zag potentie in een rechtsvermoeden zoals de SER dat heeft voorgesteld en heeft dit uitgewerkt in een wetsvoorstel dat in oktober 2023 in internetconsultatie is gegaan.28 Daarin wordt een wettelijk rechtsvermoeden geïntroduceerd op basis waarvan degene die voor een ander, niet zijnde een natuurlijk persoon, tegen beloning door die ander van ten hoogste € 32,24 per uur arbeid verricht, vermoed wordt dat krachtens arbeidsovereenkomst te doen. Ook wordt voorgesteld wettelijk vast te leggen dat sprake is van het verrichten van arbeid in dienst van een werkgever als de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke aansturing door de werkgever of de arbeid of de werknemer organisatorisch zijn ingebed in de organisatie van de werkgever, en de werknemer de arbeid niet voor eigen rekening en risico verricht.29
In een in juli 2023 gepubliceerd conceptwetsvoorstel heeft het kabinet voorgesteld in de Waadi op te nemen dat voor uitzendkrachten de overige arbeidsvoorwaarden, niet zijnde loon en overige vergoedingen en arbeids- en rusttijdenregelingen, ten minste gelijkwaardig moeten zijn aan die van werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies van de inlener. Ook beperkt het voorstel de mogelijkheid om van art. 8 Waadi af te wijken bij cao tot afwijking van de overige voorwaarden. Van de gelijke beloning kan dus in zijn geheel niet worden afgeweken op basis van dit voorstel. Bovendien kan de afwijking van de overige arbeidsvoorwaarden alleen bij cao van de uitlener plaatsvinden en verbindt de regering daaraan bovendien de voorwaarde dat het totaal aan arbeidsvoorwaarden ten minste gelijkwaardig is.30
Voorts overweegt de regering expliciet dat het pensioen van uitzendkrachten meeweegt in het totaalpakket dat dus gelijkwaardig moet zijn indien bij cao afgeweken wordt. Daarbij moet het uitzendpensioen wel marktconform zijn. De uitwerking daarvan ligt volgens de regering bij de sociale partners.31
De regering heeft in de Wet toekomst pensioenen maatregelen genomen om zelfstandigen beter te faciliteren in de opbouw van aanvullend pensioen. Pensioenuitvoerders hebben nu de mogelijkheid hun fonds open te stellen voor aansluiting door zelfstandigen. Zelfstandigen hebben dezelfde fiscale ruimte als werknemers voor pensioenopbouw.32 Pensioenopbouw blijft volgens de plannen van de regering echter een eigen verantwoordelijkheid voor zelfstandigen. Verschillen tussen werknemers en zelfstandigen zullen blijven bestaan. Wel wijst de regering op de mogelijkheid die de Europese Commissie en nu ook de ACM bieden tot collectief onderhandelen voor (kwetsbare) zelfstandigen.33
7.6.1.1 Reflectie ten aanzien van loon voor werken en pensioeninkomen