Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.6.2.2
4.6.2.2 Bruto- of nettocompartimentering
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630630:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Voorbeeld ontleend aan Van Strien 2014.
Hofman is van mening dat volledige compartimentering optimaal recht doet aan het uitgangspunt dat een voordeel dat in een bepaald deel van de bezitsperiode is ontstaan, moet worden bepaald conform het tijdens dat deel van de bezitsperiode geldende regime. Hierdoor ontstaat wel de mogelijkheid dat een resultaat wordt belast of in aftrek wordt gebracht terwijl per saldo geen of een kleiner positief c.q. negatief resultaat is behaald. Hofman, pagina 343- 344.
In dezelfde zin S.A. Stevens 2018.
Lubbers en Van Scharrenburg: ’Hoewel wij de compartimenteringsleer in beginsel onderschrijven, komt het ons niettemin onwenselijk voor dat de belastingplichtige in dit voorbeeld voor een bedrag van € 400 000 in de belastingheffing wordt betrokken terwijl hij uiteindelijk een winst van slechts € 200 000 realiseert. Onder omstandigheden leidt de compartimenteringsleer van de Hoge Raad er zelfs toe dat het ter zake van de verkoop van de aandelen te betalen bedrag aan belasting het 'werkelijke' met die verkoop behaalde voordeel overtreft. Teneinde de belastingheffing in deze gevallen meer te laten aansluiten bij de (bedrijfs)economische realiteit, pleiten wij voor een 'gelimiteerde compartimentering', waarbij er niet meer winst wordt belast dan er daadwerkelijk wordt behaald.’
Zie tevens paragraaf 2.5.
Bij compartimentering wordt onderscheid gemaakt tussen brutocompartimentering en nettocompartimentering. Brutocompartimentering – ook wel volledige compartimentering genoemd – houdt in dat per tijdvak moet worden beoordeeld wat het voordeel is. Bij nettocompartimentering moet daarentegen worden beoordeeld wat het daadwerkelijk door het lichaam gerealiseerde voordeel is en dit voordeel wordt over de perioden (vrijgesteld/niet vrijgesteld) verdeeld. Het verschil tussen bruto- en nettocompartimentering laat zich illustreren aan de hand van het volgende voorbeeld1:
Bij brutocompartimentering is de vrijstelling 50 (de waardemutatie in de periode waarin de vrijstelling van toepassing is). Daarnaast is sprake van een aftrekbaar verlies ad 30 (de waardemutatie in de periode dat er geen vrijstelling is). Bij nettocompartimentering wordt de vrijstelling daarentegen beperkt tot het daadwerkelijke gerealiseerde resultaat ad 20. Er is dan geen aftrekbaar verlies. Brutocompartimentering bevat dus elementen van een vermogensmutatieheffing. Nettocompartimentering gaat daarentegen uit van een vermogenswinstvrijstelling.
In HR 22 januari 1997, nr. 31 748, BNB 1997/101 is de vraag of de deelnemingsvrijstelling uitgaat van bruto- of nettocompartimentering aan de orde gekomen. De Hoge Raad heeft overwogen dat bij de deelnemingsvrijstelling brutocompartimentering plaatsvindt:
‘3.2. Bij de beantwoording van die vraag dient te worden vooropgesteld dat de deelnemingsvrijstelling ertoe strekt de vrijstelling toepassing te doen vinden voor de voordelen die zijn ontstaan in het tijdvak waarin de vrijstelling heeft bestaan. Het is in overeenstemming met deze strekking om, indien de desbetreffende aandelen hun status van deelneming verliezen, de nadien behaalde winst te berekenen uitgaande van de waarde van de aandelen bij het einde van voormeld tijdvak, en daarbij deze waarde aan te merken als de kostprijs van die aandelen.’
Op deze wijze van compartimenteren bestaat terecht kritiek, omdat het gevolg kan zijn dat het voordeel waarover belasting moet worden betaald bij verkoop het werkelijk gerealiseerde (bedrijfseconomische) voordeel kan overtreffen. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de volgende voorbeelden:
Situatie 1 – waardedaling in de deelnemingsvrijstellingperiode gevolgd door een waardestijging in de belaste periode
Aankoop deelneming €100.000.
Waarde in het economische verkeer op het moment van de sfeerovergang €95.000.
Verkoopprijs deelneming €105.000.
Wel
Niet
deelnemingsvrijstellingperiode
deelnemingsvrijstellingperiode
Waardemutatie
€ -/- 5.000
€ 10.000
In casu wordt derhalve € 10.000 in de heffing betrokken, terwijl het gerealiseerde rendement slechts € 5.000 is.
Situatie 2 – waardedaling in de belaste periode gevolgd door een waardestijging in de deelnemingsvrijstelling periode
Aankoop deelneming €100.000.
Waarde in het economische verkeer op het moment van de sfeerovergang €95.000.
Verkoopprijs deelneming €100.000.
Niet
Wel
deelnemingsvrijstellingperiode
deelnemingsvrijstellingperiode
Waardemutatie
€ -/- 5.000
€ 5.000
In deze casus is sprake van een aftrekbare last ad € 5.000, terwijl het feitelijke rendement nihil is.
Situatie 3 – waardestijging in de deelnemingsvrijstelling periode gevolgd door een aftrekbare waardedaling in de belaste periode
Aankoop deelneming €100.000.
Waarde in het economische verkeer op het moment van de sfeerovergang €105.000
Verkoopprijs deelneming €103.000.
Wel
Niet
deelnemingsvrijstellingperiode
deelnemingsvrijstelling
Waardemutatie
€ 5.000
€ -2.000
In deze casus is het vrij te stellen voordeel hoger dan het gerealiseerde voordeel.
Aangezien de winstbelastingen vermogenswinstbelastingen zijn, zou de compartimenteringsleer mijns inziens beperkt moeten worden in die zin dat niet méér voordeel belast wordt dan er uiteindelijk daadwerkelijk wordt gerealiseerd.234 Het is dan ook te betreuren dat de wetgever ervoor heeft gekozen om brutocompartimentering te implementeren. Met de invoering van artikel 28c Wet Vpb 1969 had de wetgever namelijk de mogelijkheid om over te gaan op nettocompartimentering.
Zoals in paragraaf 4.6.2 beschreven, heeft de Hoge Raad in HR 28 maart 2014, nr. 13/02818, BNB 2014/119 bepaald dat bij een regelwijziging deze brutocompartimenteringsleer niet opgaat.5 In dat geval moet worden uitgegaan van onmiddellijke werking van de wetswijziging.