Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.6
6.6.6 Is artikel 3:306 BW of artikel 3:307 BW van toepassing op een 403-vordering?
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648731:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 maart 1999, NJ 1999/445. Het oogmerk van de Algemene Bijstandswet was volgens de rechter om een (lenings)overeenkomst naar burgerlijk recht in het leven te roepen, ook al was de bijstand verstrekt op basis van een door de gemeente genomen bestuursrechtelijk besluit.
HR 17 oktober 2003, NJ 2004/282. De Hoge Raad besliste dat de vordering tot volstorting een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven is. Volgens Van Schilfgaarde is sprake van een verplichting (verbintenis) uit de overeenkomst tot deelname in het kapitaal.
Hof Amsterdam 4 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU7798. Vordering in verband met creditnota is een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst en niet een uit onverschuldigde betaling.
Hof Amsterdam 28 juni 2001, NJ 2001, 673; De erflater brengt de ouderlijke boedelverdeling tot stand. Die toedeling heeft niet het karakter van een overeenkomst tussen de erven.
HR 3 februari 2012, NJ 2012, 93; Indien voldaan is aan de in het Pensioenreglement neergelegde voorwaarden, is het ontstaan van pensioenaanspraken niet afhankelijk van een daartoe strekkende handeling van (het bestuur van) BPF. De vordering tot toekenning van pensioenaanspraken over een bepaalde periode wordt niet geacht te strekken tot nakoming van ‘een verbintenis tot een geven of een doen’ in de zin van art. 3:307 BW, maar heeft het karakter van een verklaring voor recht dat de werknemer jegens BPF uit hoofde van het Pensioenreglement pensioenaanspraken heeft. Hieraan doet niet af dat een pensioenaanspraak een zelfstandig (voorwaardelijk) vermogensrecht vormt.
In artikel 3:307 BW1 wordt een verjaringstermijn van vijf jaar genoemd. Artikel 3:307 BW geldt ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen tot nakoming van verbintenissen uit overeenkomsten. Artikel 3:307 BW luidt als volgt:
Artikel 3:307 BW
Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
In geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd loopt de in lid 1 bedoelde termijn pas van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.
Niet zonder meer kan worden aangenomen dat een vordering tot nakoming van een 403-vordering een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst betreft. Dat artikel 3:307 BW van toepassing is op de verjaring van een 403-vordering, is dan ook allerminst een gegeven. Naar huidig recht lijkt niet te worden aangenomen dat er tussen een schuldeiser, die een beroep doet op de 403-verklaring enerzijds, en de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd anderzijds, een rechtsverhouding ontstaat die kwalificeert als een overeenkomst in de zin van art. 3:307 BW. Op basis van de letterlijke tekst van artikel 3:307 BW ligt het daarom niet voor de hand om aan te nemen dat de verjaringstermijn van artikel 3:307 op een 403-vordering van toepassing is. Maar het begrip overeenkomst in de zin van art. 3:307 BW blijkt een rekbaar begrip te zijn. Zo is bijvoorbeeld uitgemaakt dat de verstrekking van bijstand in de vorm van een geldlening onder het begrip overeenkomst van artikel 3:307 BW valt,2 evenals de rechtsverhouding tussen een vennootschap en de aandeelhouder op basis waarvan de aandeelhouder verplicht is om zijn aandelen vol te storten3 alsook een vordering uit hoofde van een creditnota.4 Anderzijds vallen een rechtsvordering uit overbedeling na boedelverdeling5 en een vordering tot toekenning van pensioenaanspraken over een bepaalde periode6 niet onder 3:307 BW. Uit deze jurisprudentie volgt dat het moeilijk is om een lijn te trekken. Aan het begrip overeenkomst wordt niet strikt de hand gehouden. De vraag of een 403-vordering onder deze term kan worden begrepen, is tot op heden niet beantwoord en het antwoord is dus onzeker. Zou worden geconcludeerd dat een schuldeiser de 403-vordering eerst dient te aanvaarden alvorens de 403-vordering ontstaat, dan zou sneller geconcludeerd kunnen worden dat artikel 3:307 BW van toepassing is op een 403-vordering.
Wanneer artikel 3:307 BW niet van toepassing is op een 403-vordering, geldt dat voor de 403-vordering in beginsel de langere verjaringstermijn geldt van art. 3:306 BW. Artikel 3:306 BW luidt als volgt:
Artikel 3:306 BW
Indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.
Wanneer geconcludeerd wordt dat artikel 3:306 BW van toepassing is, dan bedraagt de verjaringstermijn voor de 403-vordering twintig jaar. Wanneer de hoofdvordering voortvloeit uit een overeenkomst, en daarop derhalve de verjaringstermijn van vijf jaar op basis van art. 3:307 BW van toepassing is, bestaat de situatie waarin de verjaringstermijn van de hoofdvordering en de verjaringstermijn van de 403-vordering niet even lang zijn. Het spiegelbeeld is ook mogelijk. Wanneer de hoofdvordering niet voortvloeit uit een overeenkomst, is op de hoofdvordering de verjaringstermijn van twintig jaar uit art. 3:306 BW van toepassing. Bij de aanname dat een 403-vordering wordt geacht voort te vloeien uit een overeenkomst zoals bedoeld in art. 3:307 BW, zal de verjaringstermijn van art. 3:307 BW van toepassing zijn op de 403-vordering en vijf jaar betreffen.
Vanuit de verjaring gezien is het feit dat er twee zelfstandige vorderingsrechten bestaan – met elk een afwijkende ontstaansgrond – onwenselijk. Het zal op de meeste deelnemers aan het rechtsverkeer vreemd overkomen dat wanneer de hoofdvordering is verjaard, de aansprakelijkheid van de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd nog voor een hele lange periode doorloopt. Daarnaast kan een onopgemerkte 403-vordering die niet is verjaard voor vervelende verrassingen zorgen.