Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/2.4.6.4
2.4.6.4 Afdwingbaarheid van de vordering
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS610833:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Invorderbaar is het begrip dat volgt uit de Iw 1990. Afdwingbaarheid is het civielrechtelijke begrip. Beide begrippen verwoorden in dit verband hetzelfde. Het begrip invorderbaar is in die zin ruimer, dat daaronder niet alleen valt het geval dat betaling van een belastingschuld op juridische gronden niet kan worden afgedwongen, maar ook de situatie dat de aanslag feitelijk niet incasseerbaar is. Die laatste situatie blijft buiten beschouwing.
De betalingstermijn van een aanslag is te vinden in art. 9 Iw 1990. Uitgangspunt is dat een belastingaanslag invorderbaar is zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet (art. 9 lid 1 Iw 1990). Voor een navorderingsaanslag geldt een termijn van een maand en voor een naheffingsaanslag bedraagt de betalingstermijn veertien dagen (art. 9 lid 2 Iw 1990).
Eenzelfde regeling geldt voor provinciale belastingen (art. 232b Provinciewet), gemeentelijke belastingen (art. 252 Gemeentewet) en waterschapsbelastingen (art. 141 Waterschapswet). Op grond van art. 53 lid 11w 1990 geldt art. 24 lid 2 1w 1990 niet ten aanzien van de aansprakelijk gestelde. Bij een aansprakelijkheid-vordering kan daarom pas worden verrekend na ommekomst van de betalingstermijn van de aansprakelijkheidschuld ex art. 49 lid 1 1w 1990. Zie eveneens § 2.4.1, slot.
Zie § 2.4.9.
Bij kwijtschelding in het kader van een gerechtelijk akkoord resteert een natuurlijke verbintenis, waardoor de kwijtgescholden vordering niet meer afdwingbaar is. Bij een kwijtschelding buiten een gerechtelijk akkoord gaat het kwijtgescholden deel van de vordering teniet. Dat deel bestaat dan niet meer. Zie verder § 22.4.4.
Zie verder § 2.4.8.
Zie § 4.4.
Verrekeningen binnen de betalingstermijn van een aanslag moeten nog handmatig worden uitgevoerd (zie § 2.2.1), dus erg doelmatig komt deze 'vervroegde verrekening' niet over.
Artikel 241w 1990 hanteert, evenals het BW, de hoofdregel dat het voor verrekening noodzakelijk is dat de in verrekening te brengen vordering (hier: een vordering van de fiscus) afdwingbaar moet zijn. Artikel 24 lid 1 1w 1990 bepaalt steeds dat het bij de verrekening door de fiscus moet gaan om "van de belastingschuldige te innen bedragen". Deze bedragen moeten dus invorderbaar en afdwingbaar zijn,1 anders kunnen zij niet worden geïnd. Dat deze hoofdregel bij artikel 24 Iw 1990 geldt, volgt eveneens uit het tweede lid van die bepaling. Daarin staat dat verrekening door de fiscus ook mogelijk is ingeval de betalingstermijn voor de aanslag2 nog niet is verstreken.3 In dat geval is de verrekening van voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 9 lid 5 en 7 Iw 1990 alleen mogelijk met aanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben. Het tweede lid van artikel 24 Iw 1990 is in de wet opgenomen als uitzondering op de hoofdregel van het eerste lid, dat een in verrekening te brengen vordering inbaar moet zijn. De andere uitzondering op deze hoofdregel vormt de verrekening tijdens uitstel van betaling.4 Als een vordering op een belastingplichtige om een ander reden niet of niet meer inbaar is, dan wel niet meer bestaat, zal verrekening op grond van artikel 24 Iw 1990 niet zijn toegestaan. Voorbeelden daarvan zijn verjaring, kwijtschelding5 en niet verder bemoeilijken.6
In artikel 24.3 van de Leidraad Invordering 2008 wordt over de regeling van artikel 24 lid 2 Iw 1990 opgemerkt:
"Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd is om in daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen."
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze verrekeningsmogelijkheid binnen de betalingstermijn uitsluitend om doelmatigheidsredenen is ingevoerd.7Ik acht dit een onvoldoende grond om af te wijken van het vereiste dat de vordering afdwingbaar moet zijn. Het is ook niet duidelijk waarom de fiscus in dit verband de betalingstermijn van een aanslag, die normaal gesproken zes weken bedraagt, niet gewoon kan afwachten.8 De belastingplichtige moet bij een materieel al vaststaande belastingteruggaaf ook eerst wachten tot die is vastgesteld, voordat die in verrekening kan worden gebracht.