Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.3.2.1
7.3.2.1 Grondslag voor het Prioriteitsbeginsel en de werking van artikel 3:97 lid 2 BW
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394940:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Lieder 2015, p. p. 218 die opmerkt dat het prioriteitsbeginsel als uitvloeisel van de nemo-plus-regel ‘ebenso trivial wie grundlegend’ is. Zie ook Neuner 2003, p. 54-55.
Suijling 1940, nr. 82.
T.M., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 3.
Zo bijv. HR 20 april 1900, W. 7435.
Indien men de vestiging van een beperkt recht begrijpt als een afsplitsing van de bevoegdheden uit het eigendomsrecht volgt dit uit de nemo-plus-regel. Zie S.N. van Opstall, ‘Zakelijke rechten en kwalitatieven verbintenissen’, WPNR 1966 (4919), p. 383, E.B. Berenschot, J.M. Hoekstra & J.B. Vegter, Eigendom en beperkte rechten naar BW en NBW, Deventer: Kluwer 1986, p. 2 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 747. Vgl. ook Neuner 2003, p. 56-57. Wanneer men deze afsplitsingsmetafoor verwerpt, geldt nog steeds dat de beperkt gerechtigde een recht heeft verkregen, dat goederenrechtelijk van aard is, zodat dat tegenwerpbaar is aan latere goederenrechtelijk gerechtigden. In die zin Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 461 en Mollema 2013, p. 133. Bovendien kan ook in een zodanige benadering ter verklaring van de prioriteitsregel nog altijd kan worden teruggegrepen op de nemo-plus-regel. Ook wanneer men een beperkt recht niet beschouwt als een recht dat is afgesplitst of afgeleid uit het eigendomsrecht, blijft het beperkte recht immers een recht dat de eigendom bezwaart (art. 3:8 BW). Aldus kan nog steeds worden gezegd dat de eigenaar nog slechts een met het beperkte recht bezwaard eigendomsrecht heeft, waardoor hij ook slechts beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de eigendom in de bezwaarde vorm.
Vgl. M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 403: ‘Uit het (…) karakter van de levering bij voorbaat volgt immers tevens dat beschikking bij voorbaat over een toekomstig goed op zichzelf de vervreemder nog niet onbevoegd maakt nogmaals bij voorbaat over dat goed te beschikken.’
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 461. Veelal wordt daarentegen geleerd dat de regel in het verlengde ligt van de nemo-plus-regel of een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligt. Zo bijv. Jac. Hijma, ‘Hollander’s Kuikenbroederij’, AA 1995, p. 708, Hartkamp 2005, p. 124-125, Peter 2007, p. 84 en Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 315 en nr. 782. Zie ook Schuijling 2016, p. 326-327 die enigszins tegenstrijdig enerzijds opmerkt dat art. 3:97 lid 2 BW een uitvloeisel van de prioriteitsregel is, maar anderzijds constateert dat de nemo-plus-regel als verklaring tekortschiet.
Vgl. Houwing 1940, p. 27: ‘Wie aanneemt, dat er tusschen het tot stand komen van de zakelijke overeenkomst en den eigendomsovergang zakelijke gebondenheid bestaat, kent aan de handelingen van partijen werking jegens derden toe vóór den eigendomsovergang.’
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 403. Zie ook Schoordijk 1986, p. 330 die opmerkt dat beide verkrijgers ‘quitte zouden staan.’ Door sommigen is onder verwijzing naar HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 (Teixeira de Mattos) daarentegen betoogd dat zou moeten worden aangenomen dat überhaupt geen levering tot stand zou zijn gekomen. Zo bijv. H. Drion in zijn noot onder 4 bij Bindend Advies Smits, 10 mei 1966, NJ 1968, 275 en Fesevur 2001, p. 505. In dat geval speelde echter een rol dat het object van de levering bij voorbaat onvoldoende bepaald was. Door de wetgever is bij een gelijktijdige inschrijving van akten die tevens op hetzelfde moment zijn verleden, opgemerkt dat men zou kunnen aannemen ‘dat in een zodanig geval geen van beide overdrachten rechtsgeldig tot stand komt, omdat ten aanzien van geen van beide op het tijdstip van de inschrijving aan de eis van beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder is voldaan.’ Zie M.v. A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1092. Op welke wijze de omstandigheid dat twee leveringsakten zijn opgemaakt – en ingeschreven – een beperking van de beschikkingsbevoegdheid ten gevolge zou kunnen hebben, wordt evenwel niet duidelijk.
Vgl. D.J. van der Kwaak, ‘Is levering vervreemding of is beslaglegging levering?’, WPNR 1996 (6238), p. 685 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 253-256. Zie ook BGH 30 april 1959, NJW 1959, 1533 in het kader van de dubbele cessie bij voorbaat: ‘Wenn schon die Abtretung künftiger Forderungen mit der h.L. und Rspr. für zulässig erachtet wird – und der Senat findet keinen Grund, hiervon abzugehen – , so gibt es (…) kein anderes dem Gesetz und den Erfordernissen der Rechtssicherheit entspr. Merkmal, um über die Konkurrenz der Abtretungen zu entscheiden, als eben die zeitliche Reihenfolge.’
Zie t.a.v. de vergelijkbare problematiek van art. 3:298 BW uitgebreid Snijders 1980, p. 185-192.
De regel van artikel 3:97 lid 2 BW heeft bij de meervoudige vestiging van een pandrecht bij voorbaat tot gevolg dat aan het pandrecht met de oudste vestigingshandeling de hoogste rang wordt toegekend. Ogenschijnlijk knoopt artikel 3:97 lid 2 BW daarmee aan bij het prioriteitsbeginsel. Dat is echter niet het geval.
Het prioriteitsbeginsel is een onbetwist goederenrechtelijk beginsel en is in zekere zin ook een kwestie van ijzeren logica.1 Het beginsel heeft een tweetal dimensies. In de eerste plaats volgt het prioriteitsbeginsel uit de nemo-plus-regel, op grond waarvan niemand meer rechten kan overdragen dan hij zelf heeft.2 Als A een aan hem toebehorende zaak aan B overdraagt, verkrijgt B de eigendom. A is vervolgens niet meer beschikkingsbevoegd ten aanzien van de zaak en kan de eigendom dus niet aan C overdragen. De prioriteitsregel ligt aldus besloten in de eis van beschikkingsbevoegdheid, die artikel 3:84 lid 1 BW stelt.3 Ten tweede volgt het prioriteitsbeginsel ook uit de derdenwerking of tegenwerpbaarheid aan derden van goederenrechtelijke rechten.4 Indien A een zaak aan B overdraagt, verwerft B de eigendom van de zaak. B kan vervolgens zijn verkregen eigendomsrecht tegenwerpen aan iedereen, waaronder aan C. Het voorrangsrecht (droit de pr É f É rence) is immanent aan het eigendomsrecht en maakt het tegenwerpbaar aan derden.
Deze twee dimensies zijn keerzijden van dezelfde medaille: B heeft een aan anderen tegenwerpbaar eigendomsrecht, omdat A dat recht niet meer heeft (en andersom). De benadering van het prioriteitsbeginsel als uitvloeisel van de nemo- plus-regel, verschilt derhalve niet van de benadering van de prioriteitsregel als uitvloeisel van het recht dat is verkregen, waaraan droit de pr É f É rence is verbonden. Voor de verkrijging van beperkte rechten geldt hetzelfde.5 De prioriteitsregel volgt derhalve uit de omstandigheid dat B iets heeft verkregen, wat A daardoor niet meer heeft en zodoende niet aan een ander kan verschaffen. Daarmee wordt de rangorde uit goederenrechtelijke rechten bepaald aan de hand van het tijdstip van totstandkoming of verkrijging van het desbetreffende recht.
Bij de hier centraal staande kwestie gaat het daarentegen om concurrerende aanspraken bij een vestiging bij voorbaat. Bij de vestiging bij voorbaat (maar ook de levering bij voorbaat) geldt de hiervoor genoemde verklaring voor de voorrang van het oudere aanspraak niet. Vanwege de toekomstigheid van de verkrijging is namelijk in het geheel nog geen recht verkregen dat aan derden kan worden tegengeworpen, terwijl daardoor evenmin sprake kan zijn van de toepassing van de nemo-plus-regel.6 De voorrangsregel bij de vestiging bij voorbaat van een pandrecht (art. 3:97 lid 2 jo. art. 3:98 BW) vormt dan ook een uitzondering op de algemene goederenrechtelijke prioriteitsregel.7 Ondanks het feit dat beide rechten namelijk op hetzelfde moment tot stand komen – en de hierboven besproken werking van de prioriteitsregel dus tot de slotsom zou moeten leiden dat sprake is van een gelijke rang – wordt voorrang verleend aan het recht, ten aanzien waarvan eerder aan de vestigingsvereisten is voldaan. Terwijl voorrang gewoonlijk volgt uit de omstandigheid dat het goederenrechtelijke recht als is verkregen, wordt in dit geval reeds voorrang en daarmee derdenwerking toegekend aan de eerdere vestigingshandeling.8
Bedacht moet worden dat de normatieve rechtvaardiging voor de voorrangsregel daarmee zeer beperkt is. De merite van de regel van artikel 3:97 lid 2 BW is met name gelegen in de omstandigheid dat zij ingewikkelde rangordeproblemen voorkomt die zouden kunnen ontstaan bij gebreke van een dergelijke voorrangsregel. Wanneer een zaak tweemaal bij voorbaat is geleverd, zou bij gebreke van artikel 3:97 lid 2 BW, niet goed kunnen worden vastgesteld welke levering bij voorbaat zou resulteren in een overdracht.9 Vergelijkbare problemen zouden kunnen ontstaan wanneer bij voorbaat zowel een pandrecht is gevestigd alsook beslag wordt gelegd. De regel van artikel 3:97 lid 2 BW dient met name de rechtszekerheid, doordat zij een eenvoudig te hanteren en overzichtelijke regel geeft voor dergelijke conflictsituaties.10
Hieruit blijkt ook dat deze regel geen intrinsieke, normatieve rechtvaardiging voor de voorrang van de kredietverschaffende bank vormt ten aanzien van de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering. De regel van artikel 3:97 lid 2 BW is vooral opgenomen om, bij gebreke van een beter alternatief, een hanteerbare regeling te geven.11 Daarmee moet eveneens geconcludeerd worden dat er aldus ruimte zou moeten bestaan voor een van artikel 3:97 lid 2 BW afwijkende rangorderegel, voor zover daaraan een betere normatieve rechtvaardiging ten grondslag ligt. Naar mijn mening is dat het geval ten aanzien van de hier besproken conflictsituatie.