Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.3.3.1
3.3.3.1 Immoraliteit
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715487:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ashworth & Zedner 2014, p. 106-107; Spek 2010, p. 226; Cleiren 2007, p. 10 en 11; Alexander 2002, p. 852; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 27-28; Groenhuijsen 1987, p. 33-34; Packer 1969, p. 262; Devlin 1965, p. 22-23; Pompe 1959, p. 2-3. Zie ook: Mousourakis 1998, p. 59-60; Smidt 1891a, p. 52. Bij veel Angelsaksische auteurs komt die immoraliteit direct of indirect in het begrip wrongfulness terug. Zo stelt Feinberg dat een wrong een violation of one’s rights of een injustice is (Feinberg 1984, p. 34 en 107). Ook heeft hij het over gedrag dat ongerechtvaardigd en verwijtbaar is (Feinberg 1984, p. 34). Simester en Von Hirsch hebben het over “conduct […] that should not be done” en “conduct [that] is disapproved” (Simester & Von Hirsch 2011, p. 5 en 21).
Van de Bunt 1989, p. 17; Kleinig 1986, p. 5. Vgl. ook: Kelk/De Jong 2019, p. 11-12; Husak 2004, p. 222. Het EHRM noemt het krijgen van een strafblad als gevolg van de gevolgde procedure ook typerend voor het strafrecht (zie: EHRM 8 juni 1976, ECLI:CE:ECHR:1976:0608JUD000510071 (Engel e.a. v. Nederland), par. 80).
Groenhuijsen 1987, p. 34.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 22-23; ’t Hart 1983, p. 220-221; Peters 1966, p. 172-173; Van Bemmelen 1973, p. 10. Sommige auteurs betogen zelfs dat strafbaarstelling bij wet in feite slechts een bevestiging is van reeds geldende normen (Devlin 1965, p. 90). Zie voor literatuur daarover: Cleiren 2007, p. 14, voetnoot 21. Vgl. ook: Schaffmeister & Heijder 1983, p. 464-465. Dat lijkt mij echter op gespannen voet te staan met de verschuivende rol van de wetgever van ‘codificatie’ naar ‘modificatie’ en de met dat laatste begrip samenhangende gedachte van de maakbaarheid van de samenleving (zie bijvoorbeeld: Haentjens 1978, p. 28). Schaffmeister stelt dan ook dat vooral het commune strafrecht op reeds geldende normen voortbouwt, terwijl het bijzondere strafrecht nieuwe regels of verplichtingen invoert (Schaffmeister 1991a, p. 165).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 5 en 21; Lindenberg 2007, p. 83-84; Peršak 2007, p. 97-98.
Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, p. 118 onder b. De Hullu 2021, p. 183; Lestrade 2018, p. 161; Cornford 2015, p. 10; Van Kempen & Fedorova 2015, p. 65, 158 en 165; Luchtman 2011, p. 349; Machielse 2008, aant. 3.5; Lindenberg 2007, p. 89; Mousourakis 1995, p. 54; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 34-35; De Hullu 1984, p. 82; Smidt 1891a, p. 16. In vergelijkbare zin wordt ook wel gezegd dat het moet gaan om gedrag dat in strijd is met professionele of maatschappelijke normen (De Hullu 2021, p. 350). Het Duitse Strafgesetzbuch geeft op diverse plaatsen een definitie van wat onder “wederrechtelijk” moet worden verstaan. Die definitie komt er eigenlijk steeds op neer dat het gebruikte middel in relatie tot het nagestreefde doel “verwerpelijk” is (zie bijvoorbeeld: §237(1), §240(2) en §253(2) StGB). De Hoge Raad spreekt ook over het (ver) overschrijden van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid (HR 9 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4227, NJ 1972/1, (Dreigbrief). Zie ook: De Hullu 2021, p. 189). Niet iedere overschrijding van de betamelijkheid is dus kennelijk strafwaardig. Overigens is nog een interessante parallel te trekken met de maatschappelijke onbetamelijkheid in het burgerlijke recht (in het kader van de onrechtmatige daad, artikel 6:162 lid 2 BW), maar gezien de ernst van de consequenties van een strafrechtelijke veroordeling ligt het voor de hand dat de grens daarvoor in het strafrecht hoger ligt. De Hullu meent dat dit ook voortvloeit uit de autonomie van het strafrecht (De Hullu 2021, p. 189).
Mackor 2012, p. 6.
Van de Wetering, Eckhardt & Bakker 2018, p. 156 en 165; Vermunt 1984a, p. 118; Hulsman 1972, p. 92. Zie ook: Pieterman 2008, p. 127.
Schaffmeister & Heijder 1983, p. 467.
Devlin 1965, p. 8.
De Doelder & Strijards 1979, p. 247; Roxin 1997, p. 504. Zo is het tackelen van een persoon in zijn algemeenheid immoreel, maar niet per se als dat in een sport- of spelsituatie gebeurt. Omgekeerd is het niet per se immoreel om niet in te grijpen als criminelen een winkel overvallen, maar wordt dat anders als je bent aangesteld als beveiliger en er dus een zekere Garantenstellung op je rust.
Vgl. Ten Voorde 2014, p. 167.
Strijards 1988, p. 13-14; Peters 1966, p. 171-172. Zo was ook voor de vraag of een gedraging ‘aanstootgevend voor de eerbaarheid’ was naar vast rechtspraak van de Hoge Raad lange tijd vooral afhankelijk van de gevoelens en opvattingen van de meerderheid van de Nederlandse bevolking (HR 13 juni 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB4670, NJ 1973/297; HR 1 december 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB3454, NJ 1971/374).
Zie ook: Peters 1966, p. 173. Het is overigens ook een praktische overweging (zie daarover §3.4.1).
Simester & Von Hirsch 2011, p. 20; Van Bemmelen 1973, p. 8-9; Packer 1969, p. 261; Pompe 1945, p. 53. Vgl. ook: Haveman 1998, p. 22. Zelfs als een strafbaarstelling contraproductief zou werken, moet de wetgever nog rekening houden met de onrust die kan ontstaan als de gedraging niet strafbaar wordt gesteld (Van Bemmelen 1973, p. 10). Zo was in 1886 een van de redenen voor de strafbaarstelling van overspel de vrees dat het weglaten van die strafbaarstelling het nieuwe Wetboek een moreel laks imago zou geven (Smidt 1891b, p. 291). Groenhuijsen wijst erop dat het vooraf strafbaar stellen van gevaarzetting verstandiger kan zijn dan het afwachten van de verontwaardiging die zou ontstaan als schade daadwerkelijk intreedt, aangezien die tot veel verdergaande wetsvoorstellen kan leiden (Groenhuijsen 1993, p. 5. Vgl. ook: Pieterman 2008, p. 71 en 76-78).
Verbruggen 2004, p. 119.
Klip 2010, p. 587-588. Vgl. Groenhuijsen 1987, p. 34.
In vergelijkbare zin wijst Mackor op het verbod op gezichtsbedekkende kleding, dat ook als (poging tot) handhaving van bepaalde normen en waarden kan worden gezien (Mackor 2012, p. 8).
Vgl. Moore 2012, p. 662; Simester & Von Hirsch 2011, p. 24-25; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 27-28.
Zo ook: Machielse 2005, p. 420.
Zie bijvoorbeeld: HR 9 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4227, NJ 1972/2 (Dreigbrief), waarin de verdachte met een dreigbrief zijn eigen geld opeiste. De Hoge Raad stelt dat daarmee de wederrechtelijkheid van de bedreiging nog niet wegvalt, nu de verdachte op zodanige wijze heeft gehandeld dat “hij […] de grenzen van het maatschappelijk betamelijke […] verre overschreed […]”. Zie ook: Luchtman 2011, p. 349. Dat geldt nog sterker indien voor afwijkingen van de hoofdregel bepaalde met waarborgen omkleedde procedures zijn opgesteld. Zie bijvoorbeeld een zaak tegen een rijinstructeur die zonder gordel reed omdat hij meende dan beter in te kunnen grijpen bij zijn studenten, waarin de Hoge Raad instemde met het oordeel van de kantonrechter dat hij dan maar een persoonlijke ontheffing aan had moeten vragen (HR 16 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6455, NJ 1979/210). Een vergelijkbare redenering gaat op voor euthanasie (De Roos 1987, p. 42) en het ‘terugstelen’ van een gestolen auto (HR 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8609, NJ 1991/153).
Fletcher 2000, p. 177 en 181; Buiting 1965, p. 120.
Vanuit communitaristisch perspectief speelt bij de beoordeling van de strafwaardigheid van gedrag een belangrijke rol of het gedrag naar het rechtsgevoel van de samenleving afkeurenswaardig of immoreel is.1 Dat hangt nauw samen met de stigmatisering die van het strafrecht uitgaat. Die stigmatisering is niet ‘slechts’ een neveneffect van de straf – zoals onder §4.4.3 wordt betoogd – maar is tot op zekere hoogte juist beoogd.2 Recht en moraal zijn immers nauw met elkaar verbonden en mogen vanuit communitaristisch oogpunt ook niet te veel uiteenlopen.3 Van zoiets als een juricentriebeginsel wil een communitarist eigenlijk niet weten. Wat precies ‘wederrechtelijk’ is, wordt juist (mede) bepaald door maatschappelijke normen.4 Wederrechtelijkheid is immers in de kern een normatief oordeel: je moet iets verkeerd hebben gedaan.5 Het moet dus gaan om onrecht; om gedrag dat verwerpelijk, schandelijk, maatschappelijk onbetamelijk, sociaal inadequaat en/of afkeurenswaardig is.6 Schade is daarvoor niet altijd vereist.7
Het is lastig in abstracto iets te zeggen over het soort gedragingen dat een samenleving immoreel vindt. De ondergrens lijkt op het eerste gezicht te liggen bij normale, alledaagse, veelvoorkomende handelingen die door vrijwel iedereen zonder enige vorm van schaamte of ongemak worden verricht.8 Dat gedrag veelvuldig voorkomt, wil echter nog niet per definitie zeggen dat een meerderheid in de samenleving dat gedrag ook als normatief neutraal beschouwd. Zo wordt regelmatig te hard gereden en door rood gefietst, maar zullen de meeste mensen niet menen dat dat moreel per se onproblematisch is.9 Omgekeerd hoeft het feit dat een meerderheid in de samenleving bijvoorbeeld van mening is dat overspel immoreel is, nog niet te betekenen dat diezelfde meerderheid ook vindt dat overspel strafbaar moet kunnen worden gesteld.10 Welke gedragingen een samenleving strafwaardig vindt, lijkt verder in hoge mate af te hangen van de concrete omstandigheden van het geval en de intenties waarmee de gedraging is verricht.11 Een alledaagse handeling als het overboeken van geld kan bijvoorbeeld best als immoreel worden beschouwd als dat geld is bedoeld om terrorisme mee te financieren.12
De grens tussen recht en moraal is in de communitaristische opvatting gelet op het voorgaande dus primair afhankelijk van de heersende opvattingen van de samenleving.13 Wat alle strafbare feiten gemeen hebben, is immers dat ze als strafwaardig zijn bestempeld door (vertegenwoordigers van) een meerderheid in de samenleving. Dat is niet zozeer (of slechts) een empirische claim, maar ook (en vooral) een normatieve grondslag.14 Enerzijds wordt het morele gezag van het strafrecht ondermijnd als ook niet-immoreel gedrag strafbaar zou zijn en anderzijds bestaat het gevaar dat de samenleving tot eigenrichting overgaat als immoreel gedrag niet strafbaar wordt gesteld.15 Verbruggen plaatst de oprukkende strafbaarheid van de voorfase van drugsdelicten in België bijvoorbeeld in de context dat drugshandel in de ogen van de samenleving zou zijn uitgegroeid tot “één van de grootste symbolen van «het kwaad» in [de] maatschappij”.16 Zelfs tegen een dergelijk symbolisch kwaad zou, in de communitaristische gedachtenlijn, een samenleving het strafrecht in moeten kunnen zetten. Daarbij draait het niet zozeer om de vraag of dat kwaad daadwerkelijk adequaat kan en zal worden bestreden door de strafbaarstelling; het in stelling brengen van het strafrecht is als zodanig al een (eveneens symbolische) tegenreactie.17 Gedacht vanuit het idee dat het strafrecht ook tegen symbolisch kwaad moet kunnen worden ingezet, is het ook niet bepaald verrassend dat tegenwoordig juist bij terrorismewetgeving de voorfase behoorlijk vergaand strafbaar is gesteld. Daar komt nog bij dat de strafbaarstelling van terroristische misdrijven – in lijn met wat hiervoor besproken is – ook kan worden beschouwd als een afkeuring door de samenleving van de normen en waarden die door de ideologisch gemotiveerde plegers van deze delicten worden aangehangen.18
Bij de invoering van artikel 46 Sr stelde de minister dat de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen (inmiddels) aan zou sluiten bij het rechtsgevoel.19 Als het schenden van (democratisch gemaakte) afspraken bovendien als zodanig immoreel is, is het verrichten van alle strafbaar gestelde gedragingen haast per definitie maatschappelijk onbetamelijk.20 Dat is zelfs zo als er geen enkel gevolg is veroorzaakt; het uitgangspunt blijft dan dat de verdachte in strijd met een afspraak heeft gehandeld.21 Ook de wijze waarop een dader iets probeert te bereiken kan immers onbehoorlijk en dus wederrechtelijk zijn.22 Het is dan nog maar een kleine stap om ook de getoonde bereidheid de wet te overtreden – bijvoorbeeld in de vorm van een pogings- of voorbereidingshandeling – als immoreel te bestempelen.23