Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/5.3
5.3 Wet op de basisvorming (Wbv) 1992/besluit kerndoelen 1993
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977147:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet op de basisvorming van 27 mei 1992, Stb. 1992, nr. 270; vgl. N. Lagerweij & E. Haak (red.), ’Basisvorming tussen ideaal en werkelijkheid’, in: Onderwijskundig lexicon 1995. Staatsinrichting is voor bepaalde scholen een nieuwe verplichting (p. 29).
Aan de vaststelling van de eindtermen gaat het Advies over de voorlopige eindtermen basisvorming in het voortgezet onderwijs,1989,14, Gs en si, vooraf.
Ibid., p. 15.
Ibid., p. 16.
Ibid., p. 19.
Ibid., p. 20.
Zie: H. Annink, Maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting, Enschede: SLO 1993 en Werkgroep DOZ 2003, p. 28.
Artikel 11c Wvo (Artikel 2.31 WVO 2020).
Besluit kerndoelen en adviesurentabel basisvorming 1993-1998 van 6 april 1993, Stb. 1993, nr. 208. Artikel 2 bevat de adviesurentabel van de basisvorming. (Artikel 2.22 WVO 2020).
K. Wittebrood, Politieke socialisatie in Nederland, Amsterdam: Thesis Publishers 1995, p. 1 e.v., 11 en ‘Het politieke kennisniveau van de Nederlandse burger’, AP 1992, p. 135-159; vgl. R. Portengen, ’Politieke kennis van scholieren baart zorgen’, P & SV 1994, p. 29 en D.G. Mutlu, Een onderzoek naar de relaties tussen het maatschappijleercurriculum alsmede de sociaal-structurele kenmerken en politieke houding van havo- en vwo-leerlingen in Nederland anno 2010, scriptie bestuurskunde UT, Enschede: UT 2010.
Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. van 6 april 1993, Stb. 1993, nr. 208, artikel 26.
Regeling van 2 juni 1993, Stcrt. 1993 over bevoegdheid voor vakkencombinaties (art. 9b).
Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. van 11 februari 1985, Stcrt. 1985, 63.
Zie: Beleidsbrief staatsecretaris Wallage (PvdA) met het voornemen leraren maatschappijleer niet bevoegd te verklaren voor het onderdeel staatsinrichting (Kamerstukken II 1992/93, 1993) en K. Fennis, ’Mededelingen van de structuurcommissie, Basisvorming’, P & SV 1992, 8, p. 29.
Vgl. M. Mooijman, ‘NVLM’, M & P 2022, 05, p. 36.
Beleidsbrief van de staatssecretaris van OCW, Kamerstukken II 1992/93, 1993.
Doorlopende leerlijn staatsburgerlijke vorming
Met de inwerkingtreding van de Wbv in 1994 zijn voor het vak geschiedenis en staatsinrichting (kern)doelen1 en eindtermen vastgelegd.2 De politieke kringloop van Easton en de trias politica zijn grondslag en ordeningsbeginsel.3 De Wbv heeft naast het leren van cognitieve aspecten als doel leerlingen vaardigheden bij te brengen als bij geschiedenis: (a) chronologisch besef, (b) vermogen historische informatie uit een kritisch-onderzoekende houding te verzamelen en begrip te tonen voor de historiciteit van de samenleving en (c) vermogen zich in te leven in historische verhoudingen.4
Greep: bij staatsinrichting politieke participatie bevorderen 1989
De invoering van de basisvorming leidt voor staatsinrichting tot curriculaire wijzigingen. Op de eerste plaats is een verschuiving te zien van een in de juridische traditie geworteld en op het staatsrecht gebaseerd vak naar de politicologie, waarin de politiek en het dynamisch karakter van het politieke bestel centraal staan. Op de tweede plaats verschuift het accent van de trias politica naar een integratiemodel van benaderingswijzen met de trias politica en de politieke kringloop van Easton als grondslag. ‘Het is voor staatsinrichting’, volgens Greep, voorzitter van de Ontwikkelingsgroep, ‘van belang de volle aandacht te schenken aan het persoonlijk en maatschappelijk nut ervan’. 5 Voor de te ontwikkelen vaardigheden legt het advies de accenten op politieke participatie, individuele rechtsbescherming en omgang met bureaucratisch ingerichte bestuursorganisaties. 6
Projectmatig werken in het funderend onderwijs
Met de inwerkingtreding van de Wbo in 1985 is het projectmatig werken in de kennisgebieden geschiedenis, maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting, aardrijkskunde en geestelijke stromingen versterkt.7 Met de invoering van de Wbv in 1992 zijn de mogelijkheden voor de vakoverstijgende werkvormen op vwo/avo verruimd (Bijlage XIXb).8
Het Besluit kerndoelen en adviesurentabel basisvorming (1993) stelt voor het vak geschiedenis en staatsinrichting als doel: ‘leerlingen toe te rusten met historische en politiek-bestuurlijke kennis en inzichten, en vaardigheden voor hun rol als lid van diverse leefverbanden, consument, producent en staats- en wereldburger als participanten in de historisch gegroeide maatschappelijke verbanden (artikel 9 lid 5 Wpo en artikel 11b Wvo oud).9
Democratische houdingsvorming geen wettelijk doel
Door de toerusting met historische en politiek-bestuurlijke kennis en vaardigheden bij geschiedenis en staatsinrichting is democratische houdingsvorming geen wettelijk doel.10 Gewapend met de benodigde kennis en vaardigheden kunnen leerlingen evenwel op behoorlijke wijze participeren als consument, producent en staats- en wereldburger in de Nederlandse samenleving met de historisch gegroeide verbanden. De toerusting bestaat uit (a) het leren denken in tijdsdimensies en veranderingen en (b) het bijbrengen van kennis, inzicht en vaardigheden in historische structuren, processen, personen en gebeurtenissen op regionaal, nationaal, Europees en mondiaal niveau.
Bestuurlijk-politieke oriëntatie
Voor deze kwalificaties zijn naast benaderingswijzen en vaardigheden sociale, economische, culturele en politieke oriëntaties, en staatsinrichting vastgelegd. De bestuurlijk-politieke oriëntatie kent als kerndoel: ‘kunnen aangeven in hoofdlijnen van het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse staat en deze in verband te brengen met bestuurlijk-politieke ontwikkelingen in West-Europa’. Dit omvat de rol van godsdienst en economie bij het ontstaan van de Republiek, regeringsvormen in Europa, positie van bevoordeelde groepen, politieke stromingen en emancipatiebewegingen als liberalisme, socialisme, christelijke politiek, feminisme, en democratisering van het politieke bestel.
Tweede Wereldoorlog
Het kerndoel voor ‘internationale verhoudingen’ is ‘het kunnen karakteriseren van de betekenis van de Tweede Wereldoorlog’:
kennis van de crisisjaren ′30, het nationaalsocialisme, de Jodenvervolging en de onderdrukking, het verzet en de collaboratie
aan de hand van een voorbeeld uit de vroegmoderne tijd verschillen kunnen herkennen in schaal en omvang van oorlogen en internationale conflicten en ingaan op de betrokkenheid van individu en gemeenschap bij het oorlogsgebeuren en op de betekenis van militaire technologie
kunnen aangeven van veranderingen in de internationale politieke, militaire en economische verhoudingen in de tweede helft van de twintigste eeuw, met name de geopolitieke, economische en militaire blokvorming, verschuivingen tussen economische machtscentra, ontwikkelingen in het Midden-Oosten en politieke verbanden met name van de Verenigde Naties kunnen karakteriseren van de (post-)koloniale verhouding van Nederland en Oost- en West-Indië met gebruikmaking van de aspecten kolonialisme, imperialisme en politieke onafhankelijkheid.
Het kerndoel staatsinrichting luidt: ‘hoofdlijnen van structuur en functioneren van het hedendaagse Nederlandse politieke bestel in wisselwerking met de samenleving’, omvattende:
kenmerken van rechtsstaat, Grondwet, grondrechten en mensenrechten,
samenstelling, taken, onderlinge verhouding en functioneren van bestuursorganen op gemeentelijk, nationaal en Europees niveau (staatsrecht), • taken en functies van de politieke partijen, maatschappelijke organisaties en belangengroepen in het politieke systeem,
herkennen aan de hand van onderwerpen bij de politieke beleids- en besluitvorming de positie en invloed van de actoren en de volgende stadia: de invloed uit de samenleving en de omzetting in overheidsbeleid,
effecten van overheidsbeleid en voortgezette invloed uit de samenleving,
deelnamevormen van burgers, groepen en maatschappelijke organisaties aan het proces van totstandkoming van overheidsbeleid (politicologie),
taken, bevoegdheden en functioneren van de rechterlijke organisatie,
mogelijkheden van rechtsbescherming voor burgers,
hoofdlijnen van het politieke bestel vanaf de 19e eeuw (staatsrecht).
Burgerschapsaspecten in kerndoelen basisvorming
De kerndoelen met burgerschapsaspecten maken in de basisvorming deel uit van de vakken geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde en economie die in de adviesurentabel beschikken over respectievelijk 200, 140 en 80 uur van 50 minuten en zijn te combineren (artikel 18 lid b Inrichtingsbesluit).11 Daarvoor verschijnt in 1993 de Regeling Bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. (hierna: Regl.).12 Artikel 9b lid 2 luidt: ‘Voor combinatie van twee of drie van de vakken geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde en economie tot één vak in de basisvorming is bevoegd de leraar die bevoegd is voor een of meer van de te combineren vakken, […] en de leraar die […] op grond van artikel 114 OWvo voor maatschappijleer bevoegd is en in een al dan niet aaneengesloten periode van veertig weken maatschappijleer heeft gegeven’.13
Leraar maatschappijleer bevoegd voor vakkencombinaties basisvorming
De toelichting spreekt van ‘goede redenen de leraar maatschappijleer bevoegd te doen zijn voor de vakkencombinatie door de maatschappelijke aspecten die […] zijn opgenomen’. Daarnaast verwijst deze naar het WRR-advies van 1986 over de invoering van de basisvorming zonder maatschappijleer.14 Er zijn geen argumenten voor de stelling dat leraren maatschappijleer bekwaam zijn om aardrijkskunde te geven, maar ‘bij combinatie van maatschappelijke vakken wordt het perspectief anders. Het is dan moeilijk te stellen dat de economieleraar bevoegd is en de leraar maatschappijleer niet’.15
Algemene bevoegdheid voor maatschappijleer
Niettemin schuilt een probleem in het bevoegd verklaren voor maatschappijleer (artikel 114 OWvo), wat ‘een onaanvaardbare oprekking van bevoegdheid zou betekenen’. Vandaar dat gekozen is voor leraren die aan de voorwaarden in artikel 9b lid 2 onder c Regl. voldoen.16 De wet voorkomt dat een voor maatschappijleer bevoegd verklaarde socioloog voor economie bevoegd is.