Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/7.2.4.2
7.2.4.2 Lijn van de Hoge Raad
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186507:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 oktober 1997, JOR 1997/147 (Van Uden/Sifun), r.o. 3.4, HR 27 juni 2008, NJ 2008/371 (Dairex/Armaghdown), r.o. 3.4 en HR 12 juli 2013, NJ 2013/397 (Jemnice & En Sof), r.o. 3.5. Zie ook Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba 25 november 2008, ECLI:NL:OGHNAA:2008:BG7940 (Leisure/Lif), Hof ’s-Hertogenbosch 16 november 2010, JIN 2011/33 (Alanheri NV), Hof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2014, RI 2014/44 (J.P. Holding) en Hof ’s-Hertogenbosch 13 september 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2214, (DCC/Illinois). Het cassatieberoep tegen dit laatste arrest werd verworpen met toepassing van art. 81 RO in HR 20 januari 2012, JOR 2012/97 (DCC/Illinois). Zie ook HR 14 november 2008, RI 2009/8 (Achtergestelde Steunvordering). Zie voor een vreemde toepassing van deze lijn Hof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2017,JOR 2017/247 (LTI/Ontvanger) en mijn annotatie daaronder.
Zie HR 27 juni 2008, NJ 2008/371 (Dairex/Armaghdown), r.o. 3.4 en het cassatiemiddel onder a.
Zie HR 12 juli 2013, NJ 2013/397 (Jemnice & En Sof), r.o. 3.5, afgezet tegen onderdeel V van het cassatiemiddel. Zie ook HR 24 oktober 1997, JOR 1997/147 (Van Uden/Sifun), r.o. 3.4 en de conclusie van A-G Keus voor HR 18 januari 2002, JOR 2002/77 (Droogh/Veenendaal), onder 2.5.
Zie HR 24 oktober 1997, JOR 1997/147 (Van Uden/Sifun), r.o. 3.4 en HR 27 juni 2008, NJ 2008, 371 (Dairex/Armaghdown), r.o. 3.4.
Vgl. conclusie A-G Langemeijer vóór HR 20 januari 2012, JOR 2012/97 (DCC/Illinois), onder 2.7 en par. 6.1.3.
417. Hoewel de rechter grote vrijheid toekomt bij de beoordeling of de schuldenaar verkeert in de toestand te hebben opgehouden, heeft de Hoge Raad toch een regel geformuleerd over de rol die achtergestelde vorderingen spelen bij die beoordeling. Bovendien heeft de Hoge Raad die regel verschillende malen bevestigd. Die regel houdt in dat uit het bestaan van vorderingen die zijn achtergesteld en die pas bij liquidatie opeisbaar zijn slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeleid dat de schuldenaar verkeert in de toestand te hebben opgehouden te betalen.1
De Hoge Raad acht het bezwaarlijk een schuldenaar failliet te verklaren op basis van het bestaan van achtergestelde en pas bij liquidatie opeisbare vorderingen omdat daaruit het bestaan van de toestand niet kan worden afgeleid.2 Zelfs in een geval waarin het cassatiemiddel aanvoerde dat de achtergestelde vordering niet als steunvordering kon dienen en er daarom geen pluraliteit was, vernietigde de Hoge Raad de faillietverklaring omdat uit de achtergestelde vordering het bestaan van de toestand niet kon worden afgeleid en dat dus onvoldoende was gemotiveerd.3
De grondslag voor deze lijn is dat het uitblijven van betaling van deze vorderingen niet erop duidt dat de schuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt omdat de vorderingen niet voor liquidatie nagekomen hoeven te worden.4
De Hoge Raad heeft niet gespecificeerd welk onderdeel van de achterstelling in de weg staat aan het afleiden van het bestaan van de toestand uit het bestaan van vorderingen die zijn achtergesteld en pas bij liquidatie opeisbaar zijn. Of daarvoor nu de eigenlijke achterstelling of de beperking van de opeisbaarheid cruciaal is blijkt niet uit de jurisprudentie. Het specifiek benoemen dat de vorderingen achtergesteld en pas bij liquidatie opeisbaar zijn, duidt erop dat met ‘achtergesteld’ een eigenlijke achterstelling wordt bedoeld, maar nergens blijkt dat dit het cruciale element is.
Verder lijkt de Hoge Raad een ruim begrip van niet-opeisbaarheid te hanteren, zodat ook een voorwaardelijke vordering voor toepassing van deze regel als niet-opeisbaar moet worden beschouwd.5