De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/3.4.4:3.4.4 Conclusies over afgifte
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/3.4.4
3.4.4 Conclusies over afgifte
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zowel de Commissie De Wal als de regering heeft er wat het delict afpersing betreft blijk van gegeven het belangrijk te vinden het onderscheid met diefstal (met geweld) duidelijk te laten uitkomen. De Commissie vond dat dat onderscheid duidelijk werd gemaakt door afpersing in een afzonderlijke titel onder te brengen. De regering vond op haar beurt dat art. 344 O.R.O. (art. 317 Sr) het onderscheid duidelijk deed uitkomen. Specifieker is de wetsgeschiedenis op dit punt niet. Over de afgrenzing tussen het delict oplichting en de andere vermogensdelicten is in de wetsgeschiedenis niets terug te vinden. Een mogelijke verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat oplichting werd gezien als een andersoortig delict dan diefstal, verduistering en afpersing.
Afpersing en oplichting eisen allebei de afgifte van enig goed. Dat is een constitutief vereiste. De middelen waarmee die afgifte wordt bewerkstelligd onderscheiden de delicten van elkaar. Het bestanddeel ‘afgifte’ heeft nooit tot veel problemen geleid. In de rechtspraak is vooral uitgelegd wat niet nodig is voor afgifte: het is niet nodig dat iemand door de afgifte wordt benadeeld, het goed behoeft niet toe te behoren aan de afgever, de afgifte behoeft niet te geschieden door degene die wordt bewogen of gedwongen, het middel behoeft niet rechtstreeks te worden aangewend tegenover degene die het goed afgeeft en het goed behoeft niet te worden afgegeven aan de dader. Het is zelfs niet nodig dat het goed in de macht van de dader komt. Voorts kan ook het toelaten van wegnemen worden begrepen onder ‘afgifte’.
Wil van afgifte sprake zijn, dan is nodig dat het goed uit de macht van het slachtoffer is geraakt. Dat is het enige positieve vereiste dat terug te vinden is in de jurisprudentie.