Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.2.6.3:4.2.6.3 Benaderingen met aandacht voor de vraag of verrijking ten koste van ander ontstaat
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.2.6.3
4.2.6.3 Benaderingen met aandacht voor de vraag of verrijking ten koste van ander ontstaat
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500042:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten slotte is een groep gevallen besproken waarin pas wordt onderzocht of een verrijking ongerechtvaardigd is, als is vastgesteld dat de verrijking is genoten ‘ten koste van een ander’ in de zin van artikel 6:212. Aan de orde zijn gekomen: (iv) vermogensverschuivingen en (v) inbreuken op exclusieve rechtsposities.
Ad (iv). Het begrip vermogensverschuiving wordt niet in de wet gedefinieerd. Auteurs die van mening zijn dat voor het ontstaan een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking vereist is dat een (ongegronde) vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden, vatten het begrip op verschillende wijzen op. Een beperking van artikel 6:212 tot gevallen waarin sprake is van verschuiving van een vermogensbestanddeel bleek niet gewenst.
Uit de literatuur blijkt niet of deze benadering de mogelijkheid openlaat dat artikel 6:212 de rechtsbron kan zijn van een verbintenis tot afdracht van voordeel dat met onoorbaar handelen is verkregen.Verder bleek het volgende. Indien men aanneemt dat verrijkingen alleen ongerechtvaardigd kunnen zijn in de zin van artikel 6:212 als zij voortvloeien uit het vermogen van de verrijkingsschuldeiser, dan kan ervan worden uitgegaan dat de verrijking thuishoort in het vermogen van de verrijkingsschuldeiser. De vermogensverschuiving heeft een rechtvaardiging nodig; zonder rechtvaardiging is de verrijking ongerechtvaardigd.
Ad (v). Linssen heeft verdedigd dat het wenselijk is dat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ook ontstaat als de verrijkingsschuldenaar inbreuk maakt op een exclusieve rechtspositie van de verrijkingsschuldeiser. Een rechtspositie is exclusief als de rechthebbende-schuldeiser met uitsluiting van ieder ander bevoegd is om de rechtspositie te gebruiken, te exploiteren of daarover te beschikken. Van een inbreuk is sprake indien een ander dan de gerechtigde tot een exclusieve rechtspositie gebruiks-, beschikkings- of exploitatiehandelingen verricht. Volgens Linssen kan alleen worden gezegd dat het voordeel dat de verrijkte geniet door inbreuk te maken, voortvloeit uit het vermogen van de rechthebbende als de bevoegdheid daartoe exclusief toekomt aan de rechthebbende. Bovendien volgt uit de exclusiviteit van de rechtspositie dat deze verrijking ongerechtvaardigd is, omdat de gebruikshandeling, exploitatiehandeling of de beschikkingshandeling onbevoegd wordt verricht. In dit verband is niet relevant of de inbreukmaker ook een verwijt treft.
De benadering van Linssen leidt ertoe dat artikel 6:212 in nog meer gevallen aanspraak geeft op afdracht van verrijkingen dan thans door de meeste auteurs mogelijk wordt geacht. Zijn voorstel is daardoor naar mijn mening (nog) onvoldoende omlijnd.