Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.3.6.2.1:6.3.6.2.1 Het onderscheid
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.3.6.2.1
6.3.6.2.1 Het onderscheid
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633787:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op het niveau tussen rsli’s onderling en het niveau tussen religieuze instellingen onderling zie ik enige mate van onderscheid. Voor religieuze instellingen bestaat slechts het CIO-convenant, waarbij alleen traditionele joodse en christelijke denominaties zijn aangesloten. Specifieke convenanten voor andere religies zijn er niet en evenmin voor levensbeschouwelijke en spirituele instellingen. Het Humanistisch Verbond bijvoorbeeld is aangesloten bij het convenant Goede Doelen.
Het CIO-convenant tussen de Belastingdienst en het CIO biedt met de mogelijkheid tot zelfregulering en dus minder overheidsbemoeienis een lichter regime. Zo staat in het ANBI CIO Toetsingskader 2017 dat ‘de bij het CIO aangesloten kerkgenootschappen zonder fiscaalrechtelijke twijfel [cursivering MT] het algemeen belang dienen’. Het CIO-convenant staat in theorie open voor andere religies, maar gezien de expliciete joodse en christelijke signatuur van het CIO ligt het voor de hand dat andere religies daar niet voor kiezen. Hoewel de andere religies de mogelijkheid hebben zelf convenanten met de Belastingdienst te sluiten, komen die convenanten niet voor.
Uit mijn navraag bij de BUN bijvoorbeeld, bleek dat deze koepelorganisatie voor boeddhistische instellingen zich niet eens bewust was van de mogelijkheid om een convenant te sluiten en daar zeker belangstelling voor had. Het CMO en de Hindoeraad waren wel op de hoogte van deze mogelijkheid, maar hadden zich er nog niet in verdiept. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ook de mate van georganiseerdheid van rsli’s hierbij een rol speelt. Hoe beter de denominaties georganiseerd zijn (zoals bij het CIO), hoe meer ze zich bewust zijn van de voordelen van een convenant en hoe groter de kans is dat een convenant tot stand komt.
Door het ontbreken van zulke convenanten kan er sprake zijn van een onderscheid tussen het hanteren van een ruimhartig algemeennutcriterium door de CIO-stichting ten aanzien van de traditionele CIO-kerkgenootschappen en van een stringenter criterium door de Belastingdienst bij de niet bij het CIO aangesloten instellingen. Het gaat daarbij om andere joodse en christelijke instellingen, overige religieuze, levensbeschouwelijke organisaties en spirituele instellingen waarvoor een soortgelijk convenant ontbreekt. Van een onderscheid tussen rsli’s onderling is in het kader van mijn onderzoek alleen sprake als het gaat om gelijke gevallen, waarbij de ten grondslag liggende levensbeschouwing voldoet aan de EHRM-vereisten van een bepaalde mate van overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang. Voor rsli’s die aan deze EHRM-vereisten voldoen, maar niet onder een convenant vallen, dreigt daarom dat zij feitelijk een andere fiscale behandeling zouden kunnen krijgen.