Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.3.4.c
9.3.4.c De berekening van het wettelijk prijsvermoeden: het 90%-vereiste
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS596539:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het geval de uitkoper een vordering per soort aandeel instelt, geldt het 90%-vereiste per soort aandeel afzonderlijk (§ 6.5).
OK 21 februari 2012 (ro. 3.14), JOR 2012/144 (Crucell); OK 20 december 2011 (ro. 3.10), JOR 2012/43 (Draka); OK 7 december (ro. 3.14), JOR 2011/45 (Corporate Express); OK 20 oktober 2008 (ro. 3.11), JOR 2008/335 (Numico). Zie ook Salemink (2011), p. 189; Olden (2009b), p. 104; Van Veersen (2009), p. 64.
OK 6 juli 2010, JOR 2010/267 (CompleTel).
De bijzondere uitkoopregeling in Duitsland gebruikt ook alleen de termen vrijwillig en verplicht bod zonder daarbij te verwijzen naar specifieke nationale wet- en regelgeving, zie § 39a(3) WpÜG: ‘Die im Rahmen des Übernahme- oder Pflichtangebots gewährte Gegenleistung…’. Het betreft wel vrijwillige en verplichte biedingen op de aandelen in een vennootschap die zijn genoteerd aan een gereglementeerde markt binnen de EER.
In deze paragraaf behandel ik de wijze waarop de OK het wettelijk prijsvermoeden berekent. Zij legt de zinsnede ‘mits ten minste 90% van de aandelen is verworven waarop het bod betrekking had’ in art. 2:359c lid 6 BW als volgt uit.
De uitkoper moet ten minste 90% verwerven van de aandelen die hij of met hem in een groep verbonden vennootschappen of de doelvennootschap zelf nog niet hield.1 Voorts dient hij deze 90% te verkrijgen door aanvaarding van het bod door (niet in een groep met hem verbonden) derden. Verwervingen anderszins, zoals aankopen in de gereglementeerde markt of onderhandse verwerving van pakketten, blijven buiten beschouwing, ook al vonden deze plaats tijdens de (na-)aanmeldingstermijn.2
Deze uitleg heeft tot gevolg dat niet altijd alle door de uitkoper verkregen aandelen meetellen voor toepassing van het wettelijk prijsvermoeden. Daarnaast speelt de reikwijdte van het bod een belangrijke rol.
Het wettelijk prijsvermoeden is, ondanks de expliciete verwijzing in art. 2:359c lid 6 BW naar openbare biedingen in de zin van art. 5:74 en 5:70 Wft, ook van toepassing bij openbare biedingen beheerst door buitenlands recht.3 De verwijzing naar de Wft-bepalingen moet vervallen. De regeling kan, net als bij de uitkoopprocedure in Duitsland, volstaan met de termen ‘vrijwillig bod’ en ‘verplicht bod’.4
9.3.4.c.i De door de doelvennootschap of groepsmaatschappijen gehouden aandelen9.3.4.c.ii De verwervingen anders dan door het openbaar bod9.3.4.c.iii De reikwijdte van het bod9.3.4.c.iv Een weerlegbaar vermoeden9.3.4.c.v De over te leggen gegevens voor toepassing van het wettelijk prijsvermoeden