Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.25
4.25 De bedrijfswaarde van passiva
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS350378:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Verplichte winstneming vindt plaats bij verjaring van een schuld of bij kwijtschelding daarvan, maar dit heeft evenwel niets met de bedrijfswaardeproblematiek te maken.
HR 13 juni 1934, B. nr. 5633.
Vergelijk onder meer Hof Leeuwarden 4 september 1992, nr. 947/ 89, V-N 1993, blz. 302.
H. Mobach, Cursus Belastingrecht, Onderdeel inkomstenbelasting, paragraaf 2.2.15.A, waardering van schulden, suppl. 229, maart 1995, blz. 425.
Hof Arnhem 19 april 1996, EK III, nr. 94/ 1671, V-N 1996 blz. 2973-2977.
Zie tevens HR 14 oktober 1992, nr. 28 064, BNB 1992/392. Van een 'prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers' als bedoeld in art. 8, eerste lid, onderdeel c Wet IB 1964 is geen sprake ingeval een deel van de vordering teniet gaat door het verbindend worden van de uitdelingslijst in een faillissement. Voor kwijtschelding is in zekere mate een bewuste activiteit van de schuldeiser noodzakelijk. drag waarvoor die vorderingen met inachtneming van de vorige alinea van deze voorwaarden zijn gewaardeerd bij de crediteur.
Tot nu toe is alleen gesproken over de bedrijfswaarde van activa. De vraag of er een identiek waardebegrip ten aanzien van passiva bestaat moet nog worden beantwoord. Ontstaat er een (verplichte) winstneming door het beneden de nominale waarde op bedrijfswaarde waarderen van schulden?
Ik abstraheer hier overigens van een verplichte waardering op contante waarde bij langlopende renteloze en laagrentende schulden; een dergelijke afwaardering is onbestreden. Ook wordt niet ingegaan op betwiste schulden of voorwaardelijke schulden, dat wil zeggen schulden die (waarschijnlijk) niet meer zullen worden voldaan (bijvoorbeeld in verband met de slechte rentabiliteitspositie van de onderneming)1.
Bij de beantwoording van bovengenoemde vraag dient onderscheid gemaakt te worden tussen de vaststelling van de jaarwinst en de totaalwinst.
Jaarwinst
Twee beginselen spelen een belangrijke rol bij de mogelijke winstneming op schulden: goed koopmansgebruik en de voorzichtigheid. Kijken we naar oude jurisprudentie dan zien we dat er bij schulden onder bepaalde omstandigheden wél verplichte winstneming mogelijk is. Zo oordeelde de Hoge Raad op 13 juni 19342 dat een bedrijfsschuld, waarvan de inning in hoge mate onwaarschijnlijk was geworden, verwaarloosd moest worden. Recentere jurisprudentie van de belastingkamers van de Gerechtshoven3 daarentegen wijst uit dat belanghebbenden schulden mogen blijven waarderen op nominale waarde, ook wanneer het schulden betreft die de schuldenaar (waarschijnlijk) niet meer zal voldoen. Mobach4 is dezelfde mening toegedaan en schrijft: 'Soms is de schuldenaar niet in staat zijn schulden te betalen. Hij moet dan toch de schulden op de nominale waarde waarderen, dus zonder rekening te houden met het feit dat hij niet ten volle aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen. HR 24 juli 1964, BNB 1964/ 224.'
Mijns inziens kan er bij betalingsonmacht van de schuldenaar/ondernemer in beginsel wél sprake zijn van een lagere bedrijfswaarde van de schuld. De potentiële koper zal immers bij overneming van de onderneming een waarde-inschatting van de oude schulden maken. Alsdan ontstaat een belangentegenstelling: de verkoper van de onderneming zal een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst willen realiseren en zal stellen dat de schulden materieel veel minder waard zijn omdat de schuldeiser naar alle waarschijnlijkheid de schulden niet meer zal invorderen. De koper van de onderneming daarentegen wil een zo laag mogelijke prijs betalen en zal stellen dat de schulden nog volwaardig zijn. Het zou ook kunnen zijn dat de koper van de onderneming de oude schuldenlast niet of alleen gedeeltelijk overneemt om zodoende met een afgeslankte onderneming verder te kunnen gaan.
Een situatie die goed koopmansgebruik gebiedt om de schuld beneden de nominale waarde op bedrijfswaarde te waarderen, zal zich niet snel voordoen. Toch is een dergelijke situatie voorstelbaar, wanneer bijvoorbeeld een schuld weliswaar nog niet verjaard is, maar reeds vele jaren op de balans staat terwijl de ondernemer helemaal niet voornemens is deze schuld te voldoen en de schuldeiser gedurende vele jaren geen incassomaatregelen heeft getroffen en dit ook in de toekomst niet meer lijkt te zullen gaan doen. Bij een dergelijk extreem geval is de bedrijfswaarde van de schuld beneden de nominale waarde gedaald (wellicht zelfs tot nihil) en moet een verplichte winstneming plaatsvinden.
Kennelijk staat het voorzichtigheidsbeginsel in de weg om (behoudens extreme situaties) tot verplichte winstneming over te gaan, hetgeen acceptabel en juist is omdat men op basis van de minimumwaarderingsregel (Niederstwertprinzip') moeilijk zo ver kan gaan dat dit aan de passiefzijde van de balans tot verplichte winstneming aanleiding zou moeten geven.
Totaalwinst
Ging het bij de jaarwinst hoofdzakelijk om goed koopmansgebruik en de rol van de voorzichtigheid, zo moet bij de berekening van de totaalwinst acht worden geslagen op de omstandigheid dat gedurende de bestaansduur van de onderneming de volledig door haar behaalde winst dient te worden belast. Het is in dit kader alom bekend dat bedrijfsmiddelen niet tegen een hoger bedrag dan de bedrijfswaarde in een onderneming mogen worden ingebracht. De bedrijfswaarde van schulden is in het kader van de totaalwinst aan de orde bij uitbreng uit de onderneming, bijvoorbeeld doordat de onderneming wordt gestaakt en er nog openstaande schulden resteren. De Hoge Raad heeft in een arrest van 18 april 1990 (BNB 1990/236) bepaald dat de ondernemer die zijn onderneming heeft gestaakt, maar na het stakingsmoment op grond van goed koopmansgebruik nog winst geniet, ook na het stakingsmoment van de ondernemersfaciliteiten gebruik kan maken.
Interessant is in dit verband een uitspraak van Hof Arnhem van 19 april 19965 betreffende een belanghebbende wiens onderneming in 1984 failliet ging, hetgeen in fiscale zin staking van de onderneming impliceert. Het faillissement werd opgeheven wegens gebrek aan baten waarbij er geen accoord werd bereikt met de schuldeisers en een groot bedrag aan schulden onbetaald bleef Ook resteerde er in fiscale zin een omvangrijk bedrag aan te verrekenen verliezen. Belanghebbende verwierf na het faillissement inkomsten uit arbeid, in 1990 bijvoorbeeld f 85 480. In het jaar 1991 stelde de inspecteur de waarde van een bankschuld op nihil hetgeen door het Hof werd gevolgd want de desbetreffende bank had al sinds vele jaren geen invorderingsmaatregelen meer genomen en belanghebbende had niet aannemelijk gemaakt dat hij in 1991 dan wel in latere jaren het voornemen had (of heeft) de schuld aan de bank geheel of gedeeltelijk te voldoen, en evenmin dat een derde daartoe bereid zou zijn. Het op nihil waarderen van de bankschuld leverde een nagekomen bate uit onderneming op die gecompenseerd kon worden met de nog resterende verliezen. Aangezien er in formele zin geen sprake was van kwijtschelding van schulden door de schuldeiser(s) was de kwijtscheldingswinstvrijstelling van art. 8, eerste lid, onderdeel c Wet IB 1964 niet van toepassing.6
Ten aanzien van de liquidatie van een onderneming kan worden opgemerkt dat met betrekking tot de overgang van activa en passiva naar het privé-vermogen binnen de grenzen der redelijkheid de wil van belanghebbende bepalend is. De Hoge Raad acht de overbrenging naar privé van vorderingen en schulden (waarvan het beloop onzeker is) echter ongeoorloofd en in dit opzicht is de hiervoor aangehaalde uitspraak van Hof Arnhem dan ook begrijpelijk.
In het kader van de totaalwinst — gerelateerd aan de staking van een onderneming — eerder dan bij de jaarwinstbepaling moet worden aangenomen dat de bedrijfswaarde van een onbetaald gebleven schuld beneden de nominale waarde is gedaald hetgeen winstneming in de vorm van een nagekomen bate uit de onderneming tot gevolg heeft.