Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.9.3
I.3.9.3 Grondwetskamer
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284933:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Duynstee & Bosmans 1977, p. 553; Handelingen II 1945/46, 34, p. 680.
Eindrapport Staatscommissie-Beel 1946.
Het belangrijkste artikel van het voorstel van de Staatscommissie-Beel luidde als volgt: ‘Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. Het wordt behandeld als een voorstel van wet in een vereenigde vergadering van de Staten-Generaal.Wanneer de vereenigde vergadering tot aanneming of niet-aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met overeenkomstige toepassing van artikel 117. Het voorstel verkrijgt kracht, indien het wordt aangenomen met de stemmen van ten minste twee derden van het gezamenlijk aantal leden, waaruit de Eerste en Tweede Kamer bestaan, en door den Koning wordt goedgekeurd.Indien het voorstel met de stemmen van minder dan twee derden van dit aantal wordt aangenomen en door den Koning wordt goedgekeurd, wordt binnen twee maanden een verkiezing gehouden voor een Kamer voor Grondwetsherziening, welke over dit voorstel beraadslaagt en besluit. Het voorstel verkrijgt kracht, indien het wordt aangenomen met de stemmen van de volstrekte meerderheid van het aantal leden, waaruit de Kamer bestaat en door den Koning wordt goedgekeurd.’ Zie: Eindrapport Staatscommissie-Beel 1946, p. 11.
Het Kamerlid Tilanus vond het niet elegant van de regering tegenover de Staatscommissie-Beel dat de regering met een dergelijke vaart al tot een ander voorstel was gekomen, zie Handelingen II, 1945/46, 34, p. 680.
Handelingen II 1945/46, 34, p. 680.
Handelingen II 1945/46, 34, p. 681.
Op 2 mei 1946 volgde de stemming in de Tweede Kamer, waarin het voorstel werd aangenomen met 42 stemmen tegen 20. De Eerste Kamer nam het voorstel aan in eerste lezing op 14 mei 1946 met 24 stemmen tegen 20.
Handelingen II 1946/47, 8, p. 122.
Zeer de vraag was of het voorstel de Eerste Kamer was doorgekomen. In de eerste lezing was de Eerste Kamer al kritisch, zie ook de stemverhoudingen (24 tegen 20).
Vlak na de Tweede Wereldoorlog stelde het noodkabinet onder leiding van Schermerhorn en Drees op 22 februari 1946 de Staatscommissie-Beel in. De opdracht voor deze commissie was vooral om te onderzoeken in hoeverre wijzigingen in de herzieningsprocedure wenselijk waren. De datum van verkiezingen voor de Tweede Kamer stond reeds gepland op 16 mei 1946. Wilde een grondwetsherziening snel tot stand komen, dan moest enige haast gemaakt worden met de eerste lezing. De regering en de Tijdelijke Staten-Generaal volgden gewoonweg de procedure van de Grondwet van 1938.
Beel gaf in zijn installatierede aan dat hij snelle wijzigingen mogelijk wilde maken zonder dat tussentijdse kamerontbindingen nodig waren. Bij deze wens speelden de gewijzigde verhoudingen met Nederlands-Indië een rol.1 Kortom, het oogmerk van de Staatscommissie-Beel was om de procedure te verlichten om de aanstaande – urgente - wijzigingen eenvoudig mogelijk te maken. In dit licht verscheen al op 1 april 1946 het eindverslag van deze commissie; de commissie was verdeeld in het eindverslag.2 Zij kwam tot een voorstel met een verenigde vergadering als eerste - en potentieel enige – instantie om te beslissen over een grondwetsherziening. Deze vergadering diende het voorstel met twee derden van het aantal stemmen goed te keuren. Mocht er wel sprake zijn van een gewone meerderheid, maar geen gekwalificeerde, dan volgde een tweede lezing in een Grondwetskamer die zou beslissen met een gewone meerderheid.3 Op 4 april 1946 – drie dagen na de rapportage van de Staatscommissie - diende de regering bij de Tweede Kamer een voorstel in.4 De regering kwam met een andere opzet dan de Staatscommissie, zie de volgende voorgestelde bepaling:
‘Na de afkondiging dezer wet wordt binnen twee maanden een verkiezing gehouden voor een Kamer voor Grondwetsherziening. Deze Kamer overweegt dat voorstel en kan niet dan met de stemmen van drie vijfden van het aantal leden de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.’ 5
De regering pleitte voor een ‘Kamer voor Grondwetsherziening’ voor iedere tweede lezing. Deze speciale kamer zou bestaan uit 100 leden. Deze opzet garandeerde (in tegenstelling tot) een verkiezing en een nieuw parlement in het licht van de grondwetsherzieningsprocedure. De opzet van de Staatscommissie-Beel garandeerde dat niet. De Tweede Kamer was in haar voorlopig verslag van 19 april 1946 niettemin kritisch. Vooral de haast waarmee de regering de procedure inzette kreeg afkeuring. Enkele leden vonden dat het hier ging om gelegenheidswetgeving op het gebied van de grondwetsherzieningsprocedure in het kader van de Indonesische kwestie, terwijl deze wijzigingen een duurzame strekking zouden krijgen.6 Op 30 april 1946 volgden de beraadslagingen in de Tweede Kamer. Het Kamerlid Tilanus (CHU), tevens lid van de Staatscommissie-Beel, vroeg zich af of een vereenvoudiging van de herzieningsprocedure wel gewenst was. Hij wees op de mogelijkheid dat de wetgever een herzieningsvoorstel in eerste lezing zou aannemen en dat de Kamer voor Grondwetsherziening het voorstel in tweede lezing verwerpt. Er zijn dan twee typen volksvertegenwoordiging, waarbij één van de twee achter de regering staat en de andere niet. Volgens Tilanus zou deze situatie onwenselijk zijn.7 Bovendien zou voor iedere grondwetsherziening een verkiezing moeten worden opgetuigd. Ook het Kamerlid, Bierema (PvdV), tevens lid van de Staatscommissie-Beel, was kritisch op de haast van de regering. Bierema vond het niet noodzakelijk om een ‘derde’ Kamer in het leven te roepen die aldus Bierema ‘plotseling uit de lucht komt vallen.’8
Het regeringsvoorstel doorstond – ondanks de kritiek - in mei 1946 de eerste lezing in de voorlopige Staten-Generaal (het zogenaamde ‘noodparlement’).9 Echter, het voorstel strandde enkele maanden later op 30 oktober 1946 in tweede lezing met 57 stemmen voor en 36 tegen. Hoewel er een gewone meerderheid was in tweede lezing, werd de gekwalificeerde meerderheid van twee derden niet bereikt.10 Vooral uit de hoek van de christelijke oppositiepartijen (ARP, CHU en SGP) en de Partij van de Vrijheid kwamen de tegenstemmen.11 De grondwetsherzieningsprocedure bleef na de oorlogstijd bij het oude.