Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/2.4.4
2.4.4 Rechtszekerheid en inlichtingen
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685489:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De inlichtingen van dit onderzoek zien op het voldoen aan wettelijke of verdragsrechtelijke verplichtingen, par. 1.5.
Van de Sande 2018, p. 287-288 en Van de Sande 2019a, par. 2.3. Zie ook Cramwinckel 2022, par. 2.2.3 en par. 2.3.2.1.
Van de Sande 2019a, p. 51.
Van de Sande 2019a, par. 2.3 en Cramwinckel 2022, par. 2.3.4. Zij onderscheidt bovendien verschillende functies van voorlichting, te weten een compliancefunctie (bevordering van de bereidheid tot nakoming van rechten en plichten); rechtszekerheidsfunctie (duidelijkheid over de rechtspositie en voorspelbaarheid van overheidsoptreden); informatiefunctie (kennisvermeerdering over het complexe recht) en dienstverlening-functie (behulpzaamheid, dienstverlening).
Cramwinckel 2022, par. 2.3.2 en par. 2.3.4.
Cramwinckel 2022, par. 2.3.1.
Cramwinckel 2022, par. 2.3.3.
Cramwinckel 2022, par. 2.3.2. Haar onderzoek ziet weliswaar op het fiscale recht, maar daar geldt dezelfde rechtsstatelijke achtergrond, hetgeen ook blijkt uit haar verwijzingen naar onder andere Scheltema en Van de Sande.
Zijlstra 2019, onder 3.
Zijlstra 2019, onder 4.
Cramwinckel 2022, par. 2.4.2.1-2.4.2.2 constateert dat in het belastingrecht evenmin een resultaatsverplichting (maar een inspanningsverplichting) bestaat voor de Belastingdienst om (juiste) voorlichting te geven.
Par. 6.2 en hoofdstuk 11.
Zoals hierboven beschreven is het vertrouwensbeginsel ontstaan vanuit de verplichting van bestuursorganen om bij hun besluitvorming niet alleen conform wet- en regelgeving te handelen (het rechtszekerheidsbeginsel), maar ook conform door bijvoorbeeld toezeggingen gewekte verwachtingen.
Het rechtszekerheidsbeginsel staat ook aan de wieg van die andere vorm van vertrouwensschending van dit onderzoek, te weten de gevolgen van het verschaffen van onjuiste inlichtingen. Het inlichten van burgers is – hoewel daarvoor geen algemene wettelijke verplichting of grondslag bestaat1 – een belangrijke en zelfs rechtsstatelijke taak van de overheid en vindt zowel binnen als buiten het kader van concrete besluitvorming plaats.
Van de Sande ziet – onder verwijzing naar Scheltema als grondlegger van deze benadering van de rechtsstatelijke inbedding van voorlichting – informatieverstrekking als oplossing voor een rechtsstatelijk probleem: op de overheid rust een plicht tot informatieverstrekking omdat een burger de complexe wet- en regelgeving zelf niet raadpleegt of die wet bij raadpleging onvoldoende zal kunnen begrijpen (er is onvoldoende rechtszekerheid). Informatieverstrekking is er daarom om de leemte in de rechtsstaatgedachte te vullen en de burger alsnog ‘rechtszeker’ te maken.2 De burger is in dat kader vooral aangewezen op het bestuur.3
Uit de rechtsstatelijke beginselen – in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, maar ook het beginsel van een dienende overheid – volgt een voorlichtingsplicht voor de overheid.4 Cramwinckel omschrijft dat als een ‘principiële plicht’,5 terwijl ook praktische6 en beleidsmatige7 redenen bestaan om tot voorlichting over te gaan.8
De inbedding van inlichtingen in dit rechtsstatelijke belang, geeft aan dat geen sprake is van een ‘gunst’ of ‘service’ van de overheid, maar van een – weliswaar niet juridisch afdwingbare – verplichting om burgers ‘rechtszeker’ te maken via informatieverstrekking. Die inbedding maakt tevens dat onder omstandigheden rechtsgevolgen verbonden moeten worden aan een schending van die plicht.
In de literatuur is een mogelijke ontwikkeling opgemerkt van een algemene plicht van het bestuur om de burger voor te lichten over diens rechtspositie en het geldend recht.9 Zo wijst Zijlstra op artikel 12 Dienstenwet en artikel 3:20 Awb.10 Op grond van de huidige rechtspraak bestaat een dergelijke plicht voor het bestuur niet.11
De rechtsstatelijke taak van de overheid tot voorlichting vormt een belangrijke – en mijns inziens onvoldoende in de rechtspraak erkende12 – achtergrond bij informatieverstrekking door de overheid. In het bijzonder treedt deze achtergrond naar voren bij mijn betoog dat het bestuursrecht te weinig juridische waarde toekent aan inlichtingen. Zoals duidelijk wordt in het volgende hoofdstuk, kent het civiele recht daarentegen een duidelijk toetsingskader om te beoordelen of een burger in een concrete situatie inderdaad op juiste wijze op de hoogte is gebracht over zijn rechtspositie. Het gaat dan om de beantwoording van de vraag of de door de overheid verstrekte inlichtingen een burger in staat hebben gesteld om de juiste keuzes te maken.