Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1.6.1
1.6.1 Wetenschappelijke relevantie
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200797:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In het volgende hoofdstuk, waarin het theoretisch kader voor deze studie wordt gepresenteerd, zal uitgebreider worden ingegaan op eerder onderzoek naar aan het strafrecht ten grondslag liggende spanningen.
‘Sociale constructie’ is een verwarrende term en zal in de analysefase van dit onderzoek niet meer worden gebruikt. Deze term veronderstelt dat het doel van strafrechtelijk optreden kan zijn de sociale omgeving van de delinquent te versterken. Eerder zal met strafrechtelijk optreden ‘verbetering van de individuele persoon’ of ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ worden beoogd.
Een onderzoek dat een actueel beeld geeft van de opvattingen die Nederlandse strafrechtelijke functionarissen over het strafrecht hebben, is niet voorhanden. Aandacht voor de spanningen tussen verschillende waarden in het strafrecht (tussen due process en crime control en tussen de verschillende strafdoelen), komt in Nederlands onderzoek vooral vanuit juridische en rechtsfilosofische hoek (zie bijvoorbeeld: Foqué & ’t Hart, 1990; Schuyt, 2009; Van der Woude, 2015). Hoe belangrijk deze invalshoeken ook zijn, grotendeels ontbreekt inzicht in de wijze waarop hiertegen binnen de strafrechtelijke instituties feitelijk wordt aangekeken. Onderstaand korte overzicht van bestaand onderzoek kan dit verduidelijken.1
Skolnick wijst in zijn Justice without Trial op de aanwezigheid van Packers modellen in de houdingen die politiemensen en officieren van justitie aannemen ten opzichte van het strafrecht (1966: 228-229). In dit politiesociologische werk wordt uitgebreid ingegaan op deze thematiek en gebruikgemaakt van de genoemde theorie van Packer. Dit onderzoek is inmiddels ruim vijftig jaar oud en van Amerikaanse oorsprong.
In zijn mede op Packer geïnspireerde proefschrift uit 1985 concludeerde Van de Bunt dat onder Nederlandse officieren van justitie efficiëntie (crime control) en de verwezenlijking van de rechten van de verdachte (due process) vaak geen tegenstelling vormen. Door Lindeman (2017) is dit onderzoek recentelijk tegen het licht gehouden. Zijn proefschrift, getiteld ‘Officieren van justitie in de 21e eeuw’ geeft een veel complexer beeld. Hoewel officieren van justitie volgens Lindeman het algemeen belang van de rechtsorde niet uit het oog hebben verloren, maken ‘gestroomlijnde procedures’ en beslissingen van ‘ongegradueerde’ parketsecretarissen dat regelmatig wordt voorgesorteerd op de afweging van officieren van justitie en wordt volgens Lindeman op deze initiële beslissingen slechts zelden teruggekomen (2017: 250 e.v.). Daarbij wordt ‘de magistratelijke attitude van de officier van justitie beknot door organisatorische en/of beleidsmatige factoren’ (2017: 256). Het ontbreken van ‘eigenaarschap’ en ‘bureaucratische machinaties’ beperken de officier in zijn ruimte om zijn magistratelijke verantwoordelijkheid te nemen en tevens kan deze zich hierachter verschuilen, meent Lindeman. Hij noemt officieren van justitie dan ook ‘inschikkelijk’ (2017: 286). Echter, hoe hierbij wordt omgegaan met het spanningsveld tussen efficiëntie en de verwezenlijking van de rechten van de verdachte, blijft onduidelijk. Zo valt niet te rijmen dat officieren van justitie enerzijds inschikkelijk worden genoemd, maar volgens Lindeman niet beschouwd kunnen worden als ‘burgemeester in oorlogstijd’ (2017: 286). Officieren van justitie zouden vaak een grote inzet tonen ‘om het doel dat zij in een bepaalde strafzaak voor ogen hadden te bereiken’ en er tegelijkertijd een eer in stellen ‘om binnen zekere beperkingen toch resultaten te bereiken die recht doen aan alle belangen’ (ibidem). De vraag rijst welke opvattingen officieren van justitie over het strafrecht hebben, gezien de organisatorische, bureaucratische en ook ‘culturele’ factoren waaraan ze bloot zouden staan (2017: 30). Diepgaand inzicht in de wijze waarop officieren van justitie tegen aan het strafrecht onderliggende spanningen aankijken, ontbreekt dan ook.
Relevant is ook het proefschrift van De Groot-van Leeuwen (1991). Hierin wordt de focus gelegd bij ‘denkbeelden’ van officieren van justitie en strafrechters over rechtvaardigheid. Hierin lijkt het door Packer geformuleerde spanningsveld naar voren te komen, al wordt er niet naar verwezen en worden andere termen gebruikt. Dominant onder magistraten is volgens De Groot-van Leeuwen de ‘contextualistische denkstijl’. Magistraten erkennen in grote meerderheid dat ‘materiële en formele rechtvaardigheid veelal niet gelijktijdig kunnen worden gerealiseerd’ (De Groot-van Leeuwen, 1991: 182) en geven volgens haar aan materiële rechtvaardigheid voorrang.
Opvattingen over straffen komen in de genoemde onderzoeken niet aan bod. Een observatieonderzoek, met als onderwerp het strafrechtelijk beslissen in de raadkamer, leidt tot de conclusie dat ‘de inbedding van het vergeldingsdoel in de strafrechtspraktijk vergeleken met andere strafrechtsdoelen relatief sterk is’ (Van Duyne en Verwoerd, 1985: 81). De Keijser (2000) concludeert in zijn proefschrift dat onder rechters twee dominante perspectieven op strafdoelen te onderscheiden zijn: ‘hard aanpakken’ en ‘sociale constructie’2 (p. 184). Echter uit zijn studie komt geen eenduidig verband naar voren tussen doelen van straf en de praktijk van het straffen: ‘In concrete zaken bleek weinig overeenstemming over de na te streven strafdoelen. Straffen (…) liepen zeer uiteen en in het algemeen was er nauwelijks sprake van consistente verbanden tussen voorkeur voor strafdoelen en beslissingen omtrent straf in dezelfde zaken.’ (pp.187-188) De vraag is hoe vandaag de dag de verschillende hier genoemde theorieën naar voren komen in de opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters over strafrecht.
Dit onderzoek bouwt voort op een eerder onderzoek naar de opvattingen van politiemensen over het functioneren van het strafrecht (Kort, Fedorova & Terpstra, 2014). Onderdelen hieruit worden (in aangepaste vorm) gebruikt en tevens wordt nieuw empirisch materiaal aan de orde gesteld (zie verantwoording in hoofdstuk 3). Hierna wordt aangegeven hoe dit onderzoek zich tot de eerder gepubliceerde studie verhoudt.
Het onderzoek onder politiemensen liet zien dat zij overwegend ontevreden zijn over het functioneren van het strafrecht. Deze onvrede richt zich vooral op drie gebieden: de eisen die aan het bewijs worden gesteld, de hoogte van de opgelegde straffen en de toepassing van voorlopige hechtenis. Of het juridisch gezien klopt wat de politiemensen denken dat er is besloten in het strafrechtelijk vervolg en of het juridisch mogelijk zou zijn geweest te besluiten tot een strafrechtelijke reactie die meer in lijn ligt met wat de politiemensen wenselijk vonden, is destijds onderzocht. Op acht zaken heeft een uitgebreide juridische analyse plaatsgevonden, op basis van het interview met de betrokken politiemedewerkers en een analyse van beschikbare dossiers.
In twee van de acht gevallen leidde de juridische analyse tot de conclusie dat er bij de straftoemetingsvraag en de beslissing over voorlopige hechtenis ruimte zou zijn geweest om in het strafrechtelijk vervolg tot een beslissing te komen die meer in lijn lag met wat de politiemedewerker wenselijk of noodzakelijk vond. De analyse gaf ook aan dat er een groot verschil is tussen hoe vanuit het strafrecht wordt gekeken naar bewijsvoering en de manier waarop politiemensen dat doen. Bij beslissingen over straftoemeting en voorlopige hechtenis is vaak sprake van een belangenafweging, namelijk tussen criminaliteitsbeheersing, strafvordering en bescherming van de rechten van de verdachte en diens individuele situatie. De politie heeft de neiging criminaliteitsbeheersing en strafvordering eenzijdig te benadrukken.
Een viertal factoren draagt bij aan de door politiemensen ervaren onvrede. Daarbij gaat het om factoren binnen de politieorganisatie (onder andere gebrek aan kennis en kwaliteit), een soms gebrekkige relatie tussen politie en OM (onder andere gebrek aan terugkoppeling), een sterk instrumentele opvatting van het strafrecht onder politiemensen (gericht op afschrikking en opsluiting als belangrijkste doelen daarvan) en tot slot een mogelijk verschil in perspectief tussen enerzijds politiemensen en anderzijds officieren en rechters. Veel politiemensen hebben het beeld dat rechters en officieren meestal wel goede juridische professionals zijn, maar dat zij bepaalde inzichten missen. Politiemensen beschikken over meer directe en daarmee in hun ogen meer relevante kennis over daders en slachtoffers, omdat zij daarmee zelf in contact komen. Mede op basis hiervan lijken feiten en omstandigheden vaak anders te worden waargenomen en beoordeeld. Op basis van hun ‘vakmanschap’ menen politiemensen vaak beter in staat te zijn ‘rechtvaardigheid’ te realiseren.
Zoals eerder aangegeven zou tussen politiemensen en leden van de rechterlijke macht sprake kunnen zijn van een verschil in perspectief. Het eerdere onderzoek roept daarmee nieuwe vragen op. Is inderdaad sprake van een verschil in perspectief? Welke opvattingen van rechtvaardigheid worden gehanteerd? Op basis van een legalistische opvatting van de strafrechtspleging wordt er nog vaak van uitgegaan dat juridische overwegingen voor leden van de rechterlijke macht bepalend zijn (McConville, Sanders & Leng, 1991). Maar ook dan laten juridische kaders vaak veel (interpretatie)ruimte en is de vraag vanuit welk perspectief en welke waarden zij deze invullen. Politiemensen steunen in hun werk op common sense noties over goed en kwaad en zijn vooral bezig met het op praktische wijze herstellen van wat zij zelf ‘street justice’ noemen (Van Maanen, 1978; Sykes, 1986), maar hoe zit dat met officieren van justitie en rechters?