Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.8:5.7.8 Immuniteit; Rb. 's-Gravenhage, Sec. Kanton 27 augustus 2003, NIPR 2003, 271
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.8
5.7.8 Immuniteit; Rb. 's-Gravenhage, Sec. Kanton 27 augustus 2003, NIPR 2003, 271
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439128:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rb. 's-Gravenhage 4 februari 1998, NIPR 1998, 238.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van bezwaarlijkheid om in het buitenland te procederen in de zin van art. 9 sub c Rv is geen sprake als de eiser stelt dat zijn wederpartij in de buitenlandse procedure een geslaagd beroep zou kunnen doen op immuniteit van rechtsmacht. Dit aspect kwam zijdelings aan de orde in Rb. ' s-Gravenhage, Sec. Kanton 27 augustus 2003, NIPR 2003, 271. Het ontslag door de Nederlandse ambassadeur in de VS van zijn Belgische chef-kok vormt de aanleiding voor deze zaak. De chef-kok dagvaardt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) alsmede de Nederlandse ambassadeur voor de Rb. 's-Gravenhage, en vordert onder andere betaling van achterstallig loon en dat hem schadevergoeding alsmede een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangeboden. Is de Nederlandse rechter bevoegd om hiervan kennis te nemen? Uit de beslissing van de rechtbank blijkt dat de chef-kok onder meer het volgende aan zijn vordering ten grondslag legt:
`Hij [chef-kok, Fl] heeft steeds gewerkt ten behoeve van de ambassade, in het belang van de Nederlandse Staat en in de Nederlandse rechtssfeer. Hij woonde en werkte in de ambtswoning van de ambassadeur, die de representant van Nederland in de VS is. (...) Uit al deze omstandigheden volgt dat hij in dienst was van de Staat.
Mocht geoordeeld worden dat hij in dienst was van [de ambassadeur, Fl] dan komt de Nederlandse rechter niettemin op grond van de artikelen 2 t/m 8 Rv. en in ieder geval op grond van artikel 9 onder c Rv. rechtsmacht toe. De onderhavige zaak speelt zich geheel af op de Nederlandse ambassade, die feitelijk een Nederlandse enclave in de VS is, terwijl de werkzaamheden werden verricht ten behoeve van de Nederlandse Staat en zijn ambassadeur in het belang van Nederland. Er is dus voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer voor de toepassing van artikel 9 sub c Rv. Ook is voldaan aan de onaanvaardbaarheidseis van dat artikel, omdat [eiser, Fl] anders gedwongen zou worden zich tot de Amerikaanse rechter te wenden, in welk geval de Staat en de ambassadeur zich wellicht op immuniteit zullen kunnen beroepen. Voorts zou een in de VS gewezen vonnis in Nederland niet langs de weg van artikel 985 Rv. ten uitvoer gelegd kunnen worden, maar zou de zaak in Nederland opnieuw door de rechter moeten worden behandeld en beslist, hetgeen betekent dat een procedure in de VS alleen maar tot enorme vertraging leidt. Een in Nederland gewezen vonnis kan echter aanstonds zowel tegen de Staat als tegen [de ambassadeur, Fl] (via derdenbeslag onder de Staat) ten uitvoer worden gelegd.'
Hiertegen wordt als volgt verweer gevoerd:
`Er heeft tussen [eiser, Fl] en de Staat nimmer enige rechtsbetrekking bestaan, zodat zijn vorderingen jegens de Staat afgewezen dienen te worden. (...)
Wel heeft een rechtsbetrekking, namelijk een arbeidsverhouding, bestaan tussen [eiser] en [de ambassadeur, Fl]. Ten aanzien van de vorderingen tegen [de ambassadeur, Fl] heeft de Nederlandse rechter echter geen rechtsmacht, omdat [eiser] noch [de ambassadeur, Fl] woonachtig is in Nederland, [eiser] niet de Nederlandse nationaliteit bezit en nimmer in Nederland heeft gewerkt, de arbeidsovereenkomst geheel in de VS uitgevoerd is en geen enkel raakvlak met de Nederlandse rechtssfeer heeft, en in beide arbeidscontracten het Amerikaanse recht van toepassing is verklaard. Er is daarom ook geen grond voor toepassing van artikel 9 sub c Rv.'
De rechtbank gaat hierin mee, voorzover tot uitdrukking wordt gebracht dat de chefkok in dienst was van de Nederlandse ambassadeur, maar niet van de Nederlandse Staat. Is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen de chef-kok en de Nederlandse ambassadeur? Ik zie geen grond waarop de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid zou kunnen baseren. Immers, de gedaagde heeft geen woonplaats in Nederland, het werk werd niet gewoonlijk verricht in Nederland maar in de VS, terwijl er zich naar mijn mening geen omstandigheden voordoen die de uitoefening van een noodbevoegdheid rechtvaardigen. Van een onaanvaardbaarheid in de zin van art. 9 sub c Rv kan geen sprake zijn indien de eiser stelt dat zijn wederpartij in de buitenlandse procedure een geslaagd beroep kan doen op immuniteit van rechtsmacht. Stel dat het beroep op immuniteit zou slagen, dan is de procedure in het buitenland om een gerechtvaardigde reden niet mogelijk; de gedaagde geniet immers immuniteit van rechtsmacht.1 Dit geldt mijns inziens ook onder art. 9 sub b Rv. Het oordeel van de rechtbank dat `(v)eronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde sub 2] rechtsmacht heeft (...)', is dan ook niet bevredigend.