Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/5.4.4
5.4.4 Het recht een standpunt kenbaar te mogen maken over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362868:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Keulemans 2016A onder 2.2.1.
GvEA 17 januari 2013, zaken T-346/11 en T-347/11, (Bruno Gollnisch), punt 178; Zie ook: Wolkers en Jeronimus 2018, onder ‘De controlefase, de zienswijzefase én de aanslagfase’: Wolkers en Jeronimus bepleiten een keuze voor een schriftelijke of mondelinge reactie. Hoge Raad heeft dit ook zo toegepast: HR 22 maart 2019, nr. 18/01157, r.o. 2.1, V-N 2019/16.26; GvEA 6 september 2013, zaak T-35/10, (Bank Melli Iran), punt 105; zie ook: Gerrits-Janssens 1998 p. 190; R.J.G.M. Widdershoven, annotatie bij HvJ 18 december 2008, zaak C-349/07, (Sopropé), AB 2009/29, onder 1; A.J.H. van Suilen, annotatie bij HR 22 maart 2019, nr. 18/01157, BNB 2019/92, onder 7; Keulemans 2016A onder 2.2.1.
HvJ 9 februari 2017, zaak C-560/14, (M), punten 47-51; Breuer 2019: Breuer merkt op dat geen recht bestaat op een hoorgesprek op grond van het unierecht; Mezouar en Gomes Vale Viga 2021, onder 3.2.3: Zij merken op dat de conclusie van Breuer dat geen recht bestaat op een hoorgesprek te kort door de bocht is..
Conclusie A-G Mengozzi van 3 mei 2016 in de zaak C-560/14, (M.), punt 58; Conclusie A-G Bot van 26 april 2012 in de zaak C-277/11, (M), punt 83.
HvJ 5 november 2014, zaak C-166/13, (Mukarubega), punten 69 tot en met 71; HvJ 14 februari 1990, zaak C-301/87, (Frankrijk/Commissie), punt 31; zie ook Conclusie A-G Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, onder 1.8 en 5.9.
GvEA 14 april 2011, zaak T-461/07, (Visa Europe), punten 61 en 62.
HvJ 14 juli 1972, zaak 51/69, (Bayer), punten 10 en 11.
HvJ 15 oktober 2002, zaak C-238/99 P, (Limburgse Vinyl Maatschappij), punten 83 tot en met 111.
Om een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te kunnen maken, heeft de belanghebbende allereerst recht op informatie, op verzoek recht op (inzage in) de stukken en vervolgens recht op tijd ter voorbereiding van de verdediging. Daarna kan de belanghebbende zijn standpunt kenbaar maken (vierde deelaspect van het kenbaarmakingsbeginsel).1 Als aan alle vier de deelaspecten is voldaan, heeft het kenbaar maken naar behoren en effectief plaatsgevonden. Het recht een standpunt kenbaar te mogen maken over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren gaat daarbij niet zover dat een bestuursorgaan een belanghebbende moet uitnodigen over een bepaald onderwerp opmerkingen te maken. De belanghebbende heeft in beginsel geen recht op een openbaar mondeling debat en een standpunt kenbaar maken kan zowel openbaar als besloten plaatsvinden.2 Alleen indien een belanghebbende zich zonder een mondeling debat niet kan verdedigen, vereist het kenbaarmakingsbeginsel dat het recht het standpunt kenbaar te maken mondeling gebeurt. Hiervan kan sprake zijn als een belanghebbende zich alleen mondeling goed kan uitdrukken.3 A-G Mengozzi overweegt dat een hoorzitting het meest volledig uitdrukking geeft aan het kenbaarmakingsbeginsel en daarom geen uitzondering zou moeten zijn.4 Het kenbaarmakingsbeginsel is niet bedoeld om een administratieve procedure nodeloos te heropenen of om te eisen gehoord te worden als dat niets zou toevoegen.5
Als het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan een voorgenomen besluit wijzigt na het moment waarop de belanghebbende zijn standpunt naar behoren en effectief kenbaar heeft gemaakt, dan dient het bestuursorgaan de belanghebbende opnieuw de gelegenheid te geven zijn standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken. Niet bij ieder nieuw stuk of wijziging moet een bestuursorgaan de belanghebbende opnieuw uitnodigen. Het wijzigen van de motivering van een besluit naar aanleiding van de inbreng van de belanghebbende leidt niet ertoe dat een bestuursorgaan de belanghebbende opnieuw een gelegenheid moet geven het standpunt kenbaar te maken.6 Slechts indien een bestuursorgaan nieuwe feiten ten laste legt aan de belanghebbende of de bewijselementen van het bezwarende besluit aanmerkelijk wijzigt, moet de belanghebbende opnieuw de gelegenheid krijgen zijn standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken.7 Dit betekent, dat als een bezwarend besluit ten aanzien waarvan de belanghebbende zijn standpunt al naar behoren en effectief kenbaar heeft kunnen maken, wordt vernietigd vanwege een procedurefout, die enkel betrekking had op de wijze waarop het bezwarende besluit was vastgesteld, het bestuursorgaan het nieuwe bezwarende besluit met in wezen dezelfde inhoud en gebaseerd op dezelfde bezwaren mag nemen zonder dat het bestuursorgaan de belanghebbende opnieuw de gelegenheid behoeft te geven zijn standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken.8