Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.2.1
2.2.1 Inleiding
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304314:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Duitsland , Nederland, België, Luxemburg en Italië kenden een omzetbelasting die werd geheven volgens een cumulatief cascadestelsel; alleen Frankrijk kende een belasting op de toegevoegde waarde.
Na meer dan 50 jaar EEG en EU zijn de verschillende belastingsystemen nog steeds een belangrijk obstakel; in de btw wordt gewerkt met een ‘overgangsregeling’, waarin goederen die binnen de EU over de grens worden geleverd anders worden behandeld dan goederen die binnenlands worden geleverd; op het gebied van directe belastingen is slechts sprake van een zeer beperkte harmonisatie.
Art. 99 EEG-Verdrag luidde: ‘De Commissie onderzoekt op welke wijze de wetgevingen van de verschillende Lid-Staten met betrekking tot de omzetbelasting, de accijnzen en de andere indirecte belastingen, met inbegrip van de compensatiemaatregelen welke van toepassing zijn op de handel tussen de Lid-Staten, in het belang van de gemeenschappelijke markt kunnen worden geharmoniseerd. De Commissie dient voorstellen in bij de Raad die bij eenparigheid van stemmen besluit, onverminderd de bepalingen van de art. 100 en 101.’ Sinds het Verdrag van Amsterdam (1997) is art. 99 hernummerd in art. 93. Na het Verdrag van Lissabon (Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Lissabon, 13 december 2007) luidt art. 93 EG-Verdrag thans als volgt: ‘De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen de bepalingen vast die betrekking hebben op de harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting, de accijnzen en de andere indirecte belastingen, voorzover deze harmonisatie noodzakelijk is om de instelling en de werking van de interne markt te bewerkstelligen en concurrentieverstoringen te voorkomen’.
Deze rapporten (het zogenoemde ABC-rapport en het rapport van het FFC, naar de voorzitter Neumark, het Neumark-rapport genoemd) zijn verschenen in het Duits, Frans, Nederlands en Italiaans en zijn voor zover ik heb kunnen nagaan niet elektronisch beschikbaar (bijvoorbeeld via de EU-website, www.europa.eu). Het IBFD heeft in 1963 Engelse vertalingen gepubliceerd (herdrukt in 1969). Deze laatste vertalingen zijn in ieder geval nog te vinden in de bibliotheek van het Belastingmuseum. Deze uitgaven heb ik gebruikt.
Bij de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in 1957 kenden de toenmalige zes lidstaten verschillende stelsels van omzetbelasting waarvan de meeste werden geheven volgens een cumulatief cascadestelsel.1 De voornaamste doelstelling van het verdrag tot oprichting van de EEG was het instellen, in het kader van een economische unie, van een gemeenschappelijke markt, met een vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. De verschillende belastingstelsels vormden2 een belangrijk obstakel bij het bereiken van deze doelstelling, waarbij de verschillende indirecte belastingen vooral het vrije verkeer van goederen belemmerden. Deze belemmeringen hadden zowel betrekking op het goederenverkeer binnen de EEG als op het goederenverkeer tussen de EEG en derde landen. Weliswaar kende de EEG bij het goederenverkeer binnen haar grondgebied geen douaneheffingen meer maar de verschillende omzetbelastingsystemen maakten het noodzakelijk dat goederen bij levering van de ene lidstaat aan de andere lidstaat voor omzetbelastingdoeleinden een in- en uitvoerprocedure moesten doorlopen. Bovendien waren de verschillende cumulatieve cascadestelsels (alleen Frankrijk kende een belasting op de toegevoegde waarde) aanleiding voor betaling van ‘belasting over belasting’, een verschijnsel dat toenam al naar gelang er meer schakels in de distributieketen voorkwamen. Om de belasting uit de prijs van de goederen te elimineren bij export naar een andere lidstaat of naar een derde land moesten ingewikkelde teruggaafprocedures doorlopen worden. Dit was voor de Europese Commissie reden om onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheden om de verschillende omzetbelastingsystemen te harmoniseren. De Commissie was daartoe op grond van art. 99 EEG-Verdrag ook verplicht.3
In 1959 heeft de Commissie de zogenoemde Werkgroep Nr. 1 ingesteld, die bestond uit Commissieambtenaren en ambtenaren die de zes lidstaten vertegenwoordigden. Deze werkgroep heeft in 1960 op haar beurt drie subgroepen A, B en C ingesteld. Subgroep A moest onderzoek doen naar de mogelijkheid om fysieke grenscontroles te vervangen door administratieve controle in de lidstaten zonder harmonisatie van de bestaande systemen. Subgroep B onderzocht de gevolgen van de invoering van een eenmalige groothandelsbelasting, eventueel in combinatie met een kleinhandelsbelasting. En ten slotte moest subgroep C onderzoek doen naar een gemeenschappelijk productiebelasting in combinatie met een kleinhandelsbelasting en een gemeenschappelijke belasting op de toegevoegde waarde in combinatie met, indien nodig, een kleinhandelsbelasting. Naast de instelling van de subgroepen besloot de Commissie om een Fiscaal en Financieel Comité (FFC) samen te stellen, dat bestond uit wetenschappers afkomstig uit de zes lidstaten. De voorzitter van dit comité was de Duitse hoogleraar Fritz Neumark. De subgroepen en het FFC gingen voortvarend aan de slag en in het voorjaar van 1962 zagen twee lijvige rapporten het licht.4