Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/9.2.4
9.2.4 Verhaal op de vruchten: functies van het recht van pandgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264533:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Bij de verlening van krediet aan consumenten is het overigens de vraag of een recht van pandgebruik met rentefunctie nodig is, omdat de kredietvergoeding moet zijn uitgedrukt in geld, een percentage of in enige andere vorm: art. 7:76 lid 3 BW. Daarnaast is het in zijn algemeenheid de vraag of de vestiging van een recht van pandgebruik in het kader van consumentenkrediet geldig is, aangezien een pandrecht een vuistloos pandrecht dient te zijn: art. 7:79 BW. Daarmee bestaat de kans dat het recht van pandgebruik ongeldig is wegens strijd met het toe-eigeningsverbod.
Als partijen in de pandovereenkomst neerleggen dat een recht van pandgebruik een aflossingsfunctie heeft, vloeit hieruit voort dat de pandhouder de waarde van de vruchten dient af te staan aan de pandgever.
Het staat partijen vrij om af te spreken welke functie een recht van pandgebruik heeft. De wet regelt dit onderwerp immers niet. Partijen kunnen dus afspreken dat de waarde van de vruchten in mindering komt op de gesecureerde vordering (aflossingsfunctie) of dat de waarde van de vruchten in de plaats komt van een rentevergoeding (rentefunctie1). Partijen kunnen zelfs aan het recht van pandgebruik een functie toekennen die niet beantwoordt aan de omschrijving van de aflossingsfunctie of de rentefunctie.
Als het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie heeft, kunnen partijen de overeenkomst tot overdracht van de vruchten aan de pandhouder vormgeven als een koop. De pandhouder voldoet de koopprijs voor de vruchten, door haar te verrekenen met de gesecureerde vordering. Andere mogelijkheden zijn dat partijen afspreken dat de burgerlijke vruchten gelden dan als gedeeltelijke betaling van de gesecureerde vordering, of dat de pandgever natuurlijke vruchten in betaling geeft (art. 6:45 BW). Heeft de pandhouder de natuurlijke vruchten verkocht op grond van een lastgevingsovereenkomst, en de koopprijs geïnd, dan dient hij de koopprijs af te staan aan de pandgever.2 De pandhouder kan deze schuld verrekenen met de door het pandrecht gesecureerde vordering. De bevoegdheid van de zekerheidsgerechtigde om de waarde van getrokken of geïnde vruchten te verrekenen, werk ik nader uit in §9.3.4 en §9.3.6.
Als het recht van pandgebruik een rentefunctie heeft, is deze verrekening niet nodig. De pandgebruiker hoeft de waarde van de vruchten bij een rentefunctie immers nergens op in mindering te brengen. De waarde van de vruchten komt hem toe, in plaats van een rentevergoeding. Bij een rentefunctie volstaat het dus om de vruchten in eigendom over te dragen aan de pandhouder. De pandgever kan de pandhouder ook bevoegd maken om over de vruchten te beschikken, en af te spreken dat de opbrengst van de vruchten aan de pandhouder toekomt.
Ter illustratie van de functies van het recht van pandgebruik bouw ik voort op het voorbeeld van het recht van pandgebruik op de aardbeieninstallatie. De aardbeien (vruchten) leveren jaarlijks € 500 op. Als het recht van pandgebruik een rentefunctie heeft, is de schuldenaar geen (of een lagere) rente over de geldlening verschuldigd. In plaats van een rentepercentage mag de pandgebruiker de aardbeieninstallatie exploiteren. Het bedrag dat de exploitatie jaarlijks oplevert, € 500, mag hij houden. Deze opbrengst geldt als vergoeding voor het geld dat de schuldeiser heeft uitgeleend. Als het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie heeft, geldt de opbrengst van de aardbeien als aflossing op de gesecureerde vordering. De € 500 die de schuldeiser jaarlijks genereert, komt dan ook in mindering op de gesecureerde vordering van € 10.000.