Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.6
7.6 De betekenis van het begrip “voldoende belang”
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692095:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343, NJ 1952/29, m.nt. Ph.A.N. Houwing (dominee) en de noot van D.J. Veegens onder HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, NJ 1959/548(Quint / Te Poel). Zie verder Jongbloed, in: GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aantt. 3 en 4. Ook: Van Baars 1971, p. 160, die vermeldt dat de regel in Nederland kort na 1800 is geïntroduceerd onder invloed van het Franse recht.
PG 3, p. 915.
Snijders & Wendels 2009/80.
Lindijer 2006/63.
Van Baars 1971, p. 160 e.v. Ook Jongbloed, in: GS Vermogensrecht, aant. 3 op art. 3:303 BW, Van Nispen 2003/15 en Bleeker 2018, p. 140.
Van Baars 1971, p. 163.
HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693, NJ 2002/217 m.nt. T. Koopmans (kernwapens).
PG 3, p. 915.
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238.
PG 3, p. 915 en HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238.
Van Nispen 2018/19.
HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1058, NJ 1994/118 m.nt. H.E. Ras (Severin/Detam).
HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2735, NJ 1998/853(Jeffrey).
HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146, NJ 2010/172 (Chipshol).
Van Maanen 2010.
HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, NJ 2016/77, m.nt. J.B.M. Vranken.
HR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343, NJ 1952/29(dominee).
HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:644. Voor een verdere discussie over die jurisprudentie zij verwezen naar het proefschrift van Groeneveld-Tijssens 2015, p. 43 e.v. Zie ook Lindijer 2006, p. 101 e.v.
Lindijer 2006/63. Van Baars 1971, p. 160.
373. Ook voor het rechterlijk bevel en verbod geldt de regel van art. 3:303 BW dat zonder voldoende (eigen) belang niemand een rechtsvordering toekomt. De regel is als zodanig pas in 1992 in de wet opgenomen, maar vormt de weerslag van een lang daarvoor al bestaand uitgangspunt.1 In de parlementaire toelichting is in dit verband te lezen dat de rechtspraak zich ‘steeds naar deze regel (heeft) gedragen’.2 De eis dat iemand een voldoende belang moet hebben draagt ertoe bij dat zinloze procedures worden voorkomen en dat de algemene middelen voor de rechtspraak doelmatig worden aangewend. Snijders & Wendels spreken in dit verband van het ‘fundamentele belang dat niet zonder enige grond acties worden ingesteld en voortgezet, die de rechter en de wederpartij aanzetten tot zinloos, tijdrovend en kostbaar werk’.3 Lindijer wijst er daarbij op dat ook het belang van de aangesproken partij wordt gediend.4 Ook die partij dient verschoond te blijven van een kostbare procedure die nergens toe kan leiden.
374. De regel ‘geen belang, geen actie’ brengt tot uitdrukking dat er belang moet zijn bij de rechtsvordering. Daarmee komt tot uitdrukking dat er een onderscheid is tussen het belang van de vordering zelf enerzijds en het (materiële) belang dat met de vordering gediend is anderzijds.5 Van Baars omschrijft het aldus dat onderzocht moet worden of, uitgaande van de gegrondheid van de vordering, de toewijzing ervan voor de eiser enig verschil maakt. Als dat niet het geval is, is er geen belang en kan het onderzoek naar de gegrondheid van de vordering achterwege blijven. Wanneer het materiële belang te klein is om bemoeienissen van de rechter en het ongemak van een procedure voor de wederpartij te rechtvaardigen, spreekt men wel van ‘de minimis non curat praetor’. Van Baars wijst erop dat in de toelichting op art. 3:303 BW geen scherp onderscheid wordt gemaakt tussen beide soorten belang en dus ook niet tussen de adagia ‘point d’interet, point d’action’ enerzijds en ‘de minimis non curat praetor’ anderzijds.6 Mogelijk is het onderscheid ook niet steeds scherp te maken. Het hierna nog nader te bespreken arrest van de Hoge Raad van 21 december 2001 illustreert dit.7 In die zaak was onder meer de vraag aan de orde of aan de Staat een verbod kon worden opgelegd om – kort gezegd – kernwapens te gebruiken. Het hof had de eisers niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van (voor zover het de verbodsvordering betrof) een voldoende concreet belang. De Hoge Raad stelde voorop dat het in cassatie uitsluitend ging om de ontvankelijkheidsvraag en dat de vraag of de in de vordering omschreven handelingen al dan niet als onrechtmatig moesten worden aangemerkt, als zodanig niet aan de orde was. Daarmee maakte de Hoge Raad dus een duidelijk onderscheid tussen het processuele belang en het materiële belang. Vervolgens overwoog de Hoge Raad echter dat aspecten van de onrechtmatigheid niettemin wel een rol kunnen spelen bij de vraag in hoeverre de eisers ontvankelijk waren in hun vorderingen, zij het dat de Hoge Raad die overweging met name betrok op de gevorderde verklaringen voor recht. Daarbij ging de Hoge Raad zo ver te overwegen dat geen belang bestaat bij een vordering tot het geven van een verklaring voor recht die, omdat zij onvoldoende concreet is omschreven, nimmer voor toewijzing in aanmerking komt. Datzelfde geldt volgens de Hoge Raad voor de onvoldoende concreet omschreven vorderingen strekkende tot een verbod van bepaalde handelingen of tot een bevel die handelingen te staken. Het komt mij voor dat de beslissing over de vraag of een vordering ‘nimmer voor toewijzing’ in aanmerking komt een inhoudelijke beoordeling vergt. De beoordeling van het materiële belang en die van het processuele belang lopen dan dus in elkaar over.
375. Uit de toelichting op art. 3:303 BW volgt dat het niet voldoende is dat er ‘enig belang’ is bij een vordering. Het gaat om de vraag of het belang voldoende is om een procedure te rechtvaardigen.8 Anders gezegd: het belang bij het instellen van een vordering moet evenredig zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging.9 Daarbij heeft volgens de toelichting als uitgangspunt te gelden dat voldoende belang voor de eiser aanwezig mag worden verondersteld. Wanneer dat belang wordt betwist zal de eiser moeten bewijzen dat hij voldoende belang heeft.10
376. In de parlementaire toelichting is als voorbeeld van een nodeloze rechtsvordering gegeven de situatie waarin een eiser een ‘even afdoend eenvoudiger middel’ heeft om zijn recht te verwezenlijken. In die situatie is er wel belang bij de vordering, maar niet een voldoende belang.11 Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 september 1993 volgt echter dat het enkele feit dat een bedrijfsvereniging met een dwangbevel reeds beschikt over een executoriale titel, niet betekent dat zij niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in haar vordering bij de burgerlijke rechter.12 Annotator Ras leidt uit dit arrest af dat de Hoge Raad vindt dat art. 3:303 BW met terughoudendheid moet worden gehanteerd en dat het belang niet ‘op een goudschaaltje’ moet worden gewogen. Dat laat onverlet dat een zuiver emotioneel belang niet een voldoende belang is geacht in de zin van art. 3:303 BW.13 In de Chipshol-zaak heeft de Hoge Raad evenwel ook overwogen dat als genoegdoening voor een (gestelde) schending van art. 6 EVRM in een procedure tegen de Staat een verklaring voor recht zou kunnen worden gevorderd, zodat er voldoende belang bestond bij het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.14 Dergelijke genoegdoening behoort volgens Van Maanen ook tot de categorie ideële belangen.15
377. In een wat recenter arrest heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat, indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, de rechter ervan dient uit te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is.16 De Hoge Raad voegde daaraan toe dat dit ook geldt indien niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. Daarmee is de Hoge Raad teruggekomen van zijn oordeel in een arrest van 30 maart 1951, waarin nog werd overwogen dat een eiser alleen dan uitsluitend de afzonderlijke vaststelling van de verbintenis tot schadevergoeding mag vorderen, zonder ook daadwerkelijk die veroordeling tot schadevergoeding te vorderen ‘wanneer er bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die aan een veroordeling ondanks het bestaan van een aanspraak vooralsnog in den weg staan maar wenselijk maken, dat hij althans het bestaan van de aanspraak reeds dadelijk door een bindende verklaring van den rechter veilig stelt’.17 Dat alles laat onverlet dat een vordering zo kan zijn geformuleerd dat de verklaring voor recht duidelijk geen zelfstandige functie heeft, maar onlosmakelijk is verbonden met de vordering tot schadevergoeding. Indien over die schadevordering reeds is geoordeeld behoeft dan geen zelfstandig belang te bestaan bij een verklaring voor recht.18
378. Hoewel het bij het belang-vereiste gaat om een ‘evenredigheidscriterium’, gaat het niet om een afweging van de belangen van de eiser tegenover de belangen van de gedaagde.19 Het gaat, zoals hierboven ook al is opgemerkt, om een zelfstandige toets van het belang van de eiser bij zijn vordering. Die toets wordt uitgevoerd door een vergelijking te maken tussen de situatie met en de situatie zonder toewijzing van de vordering.20 Indien er tussen die beide situaties geen relevant verschil bestaat, in die zin dat de toewijzing van de vordering de eiser feitelijk geen voordeel brengt, is er niet een voldoende belang voor rechtvaardiging van een procedure.