Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/5.2.2.3
5.2.2.3 Zorgvuldigheidsplicht om op aanvraag tot begunstigende besluit conform het recht te beslissen
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284543:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Ik spreek van ‘het recht’, omdat de norm impliceert dat het besluit ook conform de ongeschreven beginselen moet zijn.
Vgl. ABRvS 3 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5893, AB 2009/65 (vergoeding bijstand en studieboeken) waarin de ABRvS al tegen dit criterium aanschurkt door tot uitgangspunt te nemen dat de Staatssecretaris tijdig en juist moet beslissen op een aanvraag tot het recht op verblijf in Nederland – waarna zij overigens concludeert dat die norm niet strekt tot bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de aanvrager van een verblijfsvergunning. Vgl. ook Nuninga 2018, p. 298 die eveneens opmerkt dat het er in UWV/X in wezen om ging dat de werknemer recht had op een zorgvuldige behandeling van zijn bezwaar. Dat raakt volgens mij inderdaad aan het kernverwijt dat men de overheid bij het beslissen op begunstigende besluiten maakt. We zullen later zien dat het in die casus echter ging om een bezwarend besluit jegens een derde. In die gevallen ligt de geschonden civielrechtelijke norm dichter aan tegen de geschonden bestuursrechtelijke norm. Het UWV schendt daar de verplichting op alle aangevoerde bezwaren te beslissen. Interessant is verder dat het cassatiemiddel in HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, NJ 2008/576, m.nt. J.M.B. Vranken (Iraanse vluchtelinge) deze norm ook al tot uitgangspunt neemt: “De te dezen door de Staat geschonden norm behelst, kort gezegd, dat de Staat niet aanstonds juist heeft beslist op de aanvraag van verweerster in cassatie tot toelating als vluchteling in Nederland (…).” De Hoge Raad laat vervolgens overigens in het midden welke norm precies geschonden is, omdat hij de zaak afdoet via de band van de strekking van het toegekende recht.
HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0261, NJ 1993/112, m.nt. C.J.H. Brunner (Van Gog/Nederweert).
HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588, NJ 1998/526, m.nt. A.R. Bloembergen (B./Staat).
HR 12 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AN4622, NJ 1993/113, m.nt. C.J.H, Brunner (BBV/Boulogne) en HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1036, NJ 1995/150, m.nt. C.J.H. Brunner (Staat/SAB).
Vgl. C.N.J. Kortmann in zijn annotatie onder ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:224, AB 2016/128 (Hilvarenbeek) onder 10. Daar oppert hij dat de onrechtmatigheid erin schuilt dat burgers op grond van het algemene rechtszekerheidsbeginsel mogen vertrouwen op de juiste toepassing door overheid van wettelijke regels. Hij verwerpt die opvatting echter weer onder verwijzing naar de conclusie van Widdershoven d.d. 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680, BA 2016/10 (Praxis) onder 3.3. Volgens Widdershoven zou aanvaarding van de beschermende werking van het rechtszekerheidsbeginsel de relativiteit uithollen. Dat argument is valide ter voorkoming van de uitholling van de bestuursrechtelijke relativiteit van art. 8:69a Awb. Dat bepaalt immers dat een belanghebbende enkel een beroep op vernietiging toekomt op gronden die mede diens belangen trachten te beschermen. Zou men de algemene rechtszekerheid steeds als grondslag voor vernietiging aanvaarden, dan heeft de bestuursrechtelijke relativiteit inderdaad geen onderscheidende kracht meer. Dat geldt volgens mij niet voor de onrechtmatigheidsnorm dat op een aanvraag conform het recht beslist moet worden en de civielrechtelijke relativiteitsleer die daarop van toepassing is. Ik licht dat toe in §8.3.
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112, AB 2017/232, m.nt. L. Di Bella (Hengelo/Wevers), rov. 3.5.2.
Zie ook HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2598, NJ 2009/515 m.nt. M.R. Mok (Barneveld/Berkenhorst) waarin de Hoge Raad eveneens oordeelt dat de aanvrager van een begunstigend besluit ervan mag uitgaan dat het overheidsorgaan juist heeft gehandeld en dat de hem verleende vergunning dus niet strijdt met de wet.
De vertrouwensbenadering is overigens wel begrijpelijk bij aansprakelijkheid wegens verstrekken van onjuiste inlichtingen en het geven van rechtsoordelen op verzoek van een burger. In die gevallen vertrouwt de burger op de juistheid van die inlichtingen. Zie daarover uitvoerig Van de sande 2019a, p. 320 e.v.
HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1358, AB 1994/530, m.nt. F.H. van den Burg (GE/Den Haag). Zie ook ABRvS 3 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4856, AB 2002/306, m.nt. B.J. Schueler (Bouwvergunning/Waterland).
Men zou nog kunnen redeneren dat de burger pas mag vertrouwen op de juistheid van een besluit, wanneer de daartegen opstaande rechtsmiddelen niet of onsuccesvol zijn doorlopen. Die benadering kiest de Hoge Raad echter niet. De Hoge Raad oordeelt immers dat de burger erop mag vertrouwen dat het besluit op de aanvraag overeenkomstig de wet wordt genomen en dus niet aan vernietiging blootstaat. Het door de Hoge Raad geformuleerde vertrouwen omvat dus mede het vertrouwen dat het besluit in bezwaar en beroep in stand blijft.
Vgl. bijv. Rb. ’s-Gravenhage 1 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BV1555, Rb. Amsterdam 19 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV7472 en Rb. Arnhem 20 juni 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BW3594 (Bijgebouw Lindewaard). Van de Sande ziet nog wel ruimte voor toepassing van de eigen schuldregeling ondanks eerder door de overheid gewekt gerechtvaardigd vertrouwen op de juistheid van verstrekte informatie (Van de sande 2019a, p. 378-385). Hij baseert zich daarbij – als ik hem goed begrijp – op HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/233, m.nt. J. Hijma (Woonboerderij). Ik acht dat niet overtuigend. In die casus ging het over een geval van dwaling op de grond dat de verkoper heeft nagelaten bepaalde informatie te verstrekken om een onjuiste voorstelling van zaken te voorkomen (de mededelingsplicht). Daar ziet de Hoge Raad onder omstandigheden nog ruimte voor een onderzoeksplicht aan de zijde van de koper. In die gevallen gaat het echter niet om het door middel van verstrekken van onjuiste informatie wekken van een gerechtvaardigd vertrouwen, maar om het nalaten iemand te informeren. Het is in die context denkbaar dat de koper onder omstandigheden ook zelf nog onderzoek moet doen. Daaruit laat zich volgens mij niet afleiden dat men degene die gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de juistheid van bepaalde informatie alsnog een eigen onderzoeksplicht zou kunnen tegenwerpen naar de juistheid van die verstrekte informatie. Hetzelfde geldt als men aanneemt dat een burger gerechtvaardigd mag vertrouwen op de juistheid van een genomen besluit.
De norm raakt uiteraard aan het algemene rechtszekerheidsbeginsel: de burger moet ervan uit kunnen gaan dat de overheid conform het recht handelt. Daarom moet de overheid jegens de burger steeds conform het recht handelen en moet op de aanvraag ook conform het recht worden beslist.
Kortmann 2015, p. 152 raakt deels ook aan deze norm in zijn voorstel om bij onjuiste vergunningen met een gebonden wettelijk beoordelingskader aan te nemen dat het toetsingskader de aanvrager van de vergunning een aanspraak geeft op een vergunning indien aan de voorwaarden is voldaan. Bij vergunningen met een beleids- of beoordelingsvrij karakter zoekt hij de onrechtmatigheid van de onterechte weigering in de schending van het beginsel van evenredigheid dat de grenzen trekt voor de gevallen waarin de vergunning in redelijkheid niet geweigerd had mogen worden. Die benadering zou kunnen verklaren waarom bijvoorbeeld een wegens een verkeerde belangenafweging geweigerd besluit ook onrechtmatig is. Het criterium weet echter niet goed te verklaren waarom bijvoorbeeld een op verkeerde gronden afgegeven vergunning toch onrechtmatig is en leidt tot de verplichting om schade te vergoeden die niet zou zijn geleden als direct een juist besluit zou zijn genomen. Zie voor voorbeelden van zo’n situatie bijv. ABRvS 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9656, TBR 2010/152, m.nt. J.A.M.A. Sluysmans (Woonboerderij Someren), ABRvS 4 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0304 (Someren/X) en ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:593, AB 2018/215, m.nt. L. Di Bella (Jachtakte).
Soms speelt het opgewekte vertrouwen ook via de evenredigheidstoets een rol: zie ABRvS 6 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3245, JB 2005/147 (Wijziging bestemmingsplan Putten). In dat geval schuilt de ongeldigheid dus in de schending van het evenredigheidsbeginsel. De onrechtmatigheid schuilt ook dan in de schending van de zorgvuldigheidsnorm.
Dit geldt overigens ook voor de toetsing door de bestuursrechter van het besluit. Die toetst het besluit op bezwaar ook ex tunc. Het bestuursorgaan toetst het besluit in primo wel weer ex nunc. Met name op dat laatste punt ontstaat dus een verschil tussen de toetsing van de onrechtmatigheid en de geldigheid. Zie over het toetsingsmoment in het bestuursrecht Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p.90.
Zie HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588, AB 1998/231, m.nt. T.G. Drupsteen (Staat/Boeder) en ABRvS 9 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF7054, BR 2003/162, m.nt. B.P.M. Ravels (Athlon). Zie daarover bijv. Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, p. 454-455.
Vgl. in dit verband bijv. Rb. Breda 28 augustus 2000, ECLI:NL:RBBRE:2000:AA7765, JB 2000/285 (X/LNV).
De bepalingen zien strikt genomen niet op het doorsturen binnen een bestuursorgaan. De rechtspraak neemt aan dat uit art. 2:3 Awb ook voor het onbevoegde orgaan de algemene plicht voortvloeit het ontvangen geschrift intern door te sturen aan het bevoegde orgaan. Zie bijv. CRvB 16 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3034, JWWB 2014/248.
Zie Parl. Gesch. Awb I, p. 174.
HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040, NJ 2011/6, m.nt. M.R. Mok (Eindhoven/curatoren) en HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, AB 2014/15, m.nt. C.N.J. Kortmann (Amsterdam/Have c.s.). Zie ook HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:353, NJ 2020/296, m.nt. L.A.D. Keus (X/Den Haag). In dit laatste arrest ging het er in de kern om dat de eiser de gemeente verweet niet tijdig op een aanvraag om een bouwvergunning te hebben beslist, terwijl zij een overeenkomst had gesloten onder ontbindende voorwaarde van verlening voor een bepaald (door de ontijdige verlening niet gehaald) tijdstip. Er was wel een bouwvergunning van rechtswege verleend. Men kan de gemeente in zo’n geval onder omstandigheden nog verwijten dat zij de aanvrager daarover had moeten informeren. Over dat laatste werd in cassatie niet geklaagd. Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7189, BR 2020/19, m.nt. S.F.A. van Ravels & C.N.J. Kortmann (De Ronde Venen). Zie verder in het kader van een contractuele inspanningsverplichting HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:339 (X/Venray).
Zie bijv. annotatie C.N.J. Kortmann onder HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579,AB 2014/15 (Gemeente Amsterdam/Have Onroerend Goed) onder 14.
Vgl. Den Hollander 2016, p. 239.
232. Volgens mij schuilt de onrechtmatigheid bij aanvragen om een begunstigend besluit steeds in het volgende. Op het overheidslichaam waarbij een aanvraag om een begunstigend besluit wordt gedaan rust steeds de algemene zorgvuldigheidsverplichting jegens de aanvrager en/of de materieel begunstigende daarop conform het recht1 bij besluit in primo te beslissen op grond van de omstandigheden ten tijde van het nemen daarvan en de gegevens waarover het beschikt of op grond van de onderzoeksplicht ex art. 3:2 Awb (zorgvuldigheidsbeginsel) behoort te beschikken. Als het overheidslichaam nalaat zijn beslissing op een aanvraag conform het recht te nemen, handelt de overheid jegens de aanvrager/materieel begunstigde onrechtmatig.2
233. Voor deze algemene norm bestaan al verschillende aanknopingspunten in het geldende recht. Ten eerste vorm die norm in wezen al de rechtvaardiging voor de strenge toerekeningsleer binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht. Als uitgangspunt is een onrechtmatig besluit steeds toerekenbaar aan de overheid.3 Dat is ook het geval als er onduidelijkheid is over de uitleg van het recht. Die onzekerheid komt voor rekening van de overheid.4 Het gegeven dat een bestuursorgaan dagelijks veel beslissingen moet nemen waardoor er onvermijdelijk weleens fouten worden gemaakt, vormt volgens de Hoge Raad geen grond om daarop een uitzondering te maken.5 Hierin ziet men bij de rechtvaardiging van de strenge toerekening de algemene zorgvuldigheidsplicht in de basis terug: we verlangen van de overheid dat zij op een aanvraag direct een beslissing conform het recht neemt. Steeds komen eventuele fouten voor rekening van de overheid. Op haar rust dus de taak meteen op juiste gronden te beslissen.6
Ten tweede ziet men de algemene zorgvuldigheidsverplichting via het vertrouwensbeginsel in de kiem al terug in Hengelo/Wevers:
“3.5.2 Degene die op zijn aanvraag een begunstigend bestuursbesluit (zoals een vergunning) verkrijgt, mag ervan uitgaan dat dit besluit overeenkomstig de wet is genomen en dus niet wegens strijd daarmee aan vernietiging blootstaat (…). Wordt een begunstigend besluit door de bestuursrechter (onherroepelijk) vernietigd, dan kan de aanvrager daarom op grond van onrechtmatige daad aanspraak maken op vergoeding van schade die hij daardoor lijdt, (…).”7
234. De Hoge Raad geeft het beslissen conform de wet (het recht) hier een centrale rol.8 De door hem gekozen vertrouwensbenadering is volgens mij echter lastig. De formulering verliest namelijk uit het oog dat art. 6:162 BW het gedrag van de laedens, de overheid, centraal stelt. In de benadering van de Hoge Raad staat juist enkel het algemene vertrouwen van de aanvrager in de geldigheid van het besluit centraal. Men zou dan hoogstens kunnen zeggen dat het ten onrechte wekken van het vertrouwen dat een besluit rechtmatig jegens de aanvrager onrechtmatig is. Die vertrouwensbenadering stuit volgens mij echter weer op andere bezwaren.
De vertrouwensbenadering weet volgens mij niet goed te verklaren waarom een onjuiste weigering van een begunstigend besluit onrechtmatig is. Men kan lastig volhouden dat de aanvrager op de juistheid van die weigering heeft mogen vertrouwen of het overheidslichaam dat vertrouwen ten onrechte heeft gewekt en de aanvrager daarom schade lijdt. Het is de burger er bij zo’n onterechte weigering van zijn aanvraag juist om te doen (a) dat jegens hem een positief begunstigend besluit genomen had moeten worden of (b) de weigering op juiste gronden had moeten geschieden.9 Het hebben van het vertrouwen of het wekken ervan speelt dus geen rol in het gemaakte verwijt aan het overheidslichaam.
Verder verhoudt de vertrouwensbenadering zich niet goed met de leer dat degene die handelt op grond van een nog niet onherroepelijke vergunning, zulks doet op eigen risico. De schade die een burger lijdt als diens vergunning alsnog vernietigd wordt, komt naar vaste rechtspraak op grond van art. 6:101 BW voor diens risico.10 Zou de burger steeds erop mogen vertrouwen dat genomen besluiten geldig zijn, dan kan ik niet inzien waarom het handelen op grond daarvan desondanks voor risico van de burger komt.11 Dat vertrouwen staat logischerwijs ook aan diens eigen schuld in de weg.12 Het handelt dan immers op basis van dat gewekte gerechtvaardigde vertrouwen.
235. De norm dat op een overheidslichaam steeds de algemene zorgvuldigheidsplicht rust om, kort gezegd, conform het recht bij besluit in primo op aanvragen te beslissen lost deze bezwaren volgens mij op. Een aanvraag tot een bouwvergunning moet bijvoorbeeld op juiste gronden worden gehonoreerd of geweigerd. Hetzelfde geldt voor de aanvraag om een uitkering of een subsidie. Dit criterium raakt volgens mij aan het kernverwijt dat de burger de overheid maakt.13 Hij verlangt dat de overheid zijn aanvraag conform het recht behandelt en hem datgene toekent wat hem op grond van het recht toekomt.14 Dat betekent uiteraard dat een besluit nog steeds onrechtmatig kan zijn, omdat bijvoorbeeld eerder het vertrouwen is gewekt dat een besluit van een andere inhoud genomen zou worden. Het bestuursorgaan schendt immers het vertrouwensbeginsel, indien in strijd met de belofte een ander besluit volgt.15 Een besluit conform het recht is hier een besluit conform hetgeen het vertrouwensbeginsel vereist. Het vertrouwen staat echter niet meer, zoals bij de Hoge Raad, (enkel) centraal als grondslag voor de onrechtmatigheid.
236. Het civiele aansprakelijkheidsrecht beoordeelt de rechtmatigheid van gedrag ‘ex tunc’:16 het gedrag moet op het moment van het verrichten daarvan strijden met een norm. Of de overheid conform het recht heeft beslist, is daarom afhankelijk van de gegeven omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit en de informatie waarover het bestuursorgaan toen beschikte of op grond van zijn algemene informatie-inwinningsplicht van art. 3:2 Awb behoorde te beschikken. Dit betekent dat een besluit wel bestuursrechtelijk ongeldig kan zijn vanwege bijvoorbeeld omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het nemen daarvan. Het overheidslichaam heeft dan niet onrechtmatig gehandeld. Het besluit is immers – indien het voor het overige aan de eisen voldeed – ten tijde van het nemen daarvan wél conform het recht genomen.
237. Dit verklaart volgens mij de lijn van de Hoge Raad en ABRvS dat met de herroeping of wijziging van het besluit in primo de onrechtmatigheid nog niet is gegeven. Dat hangt volgens de Hoge Raad en ABRvS af van de redenen die daartoe geleid hebben en de omstandigheden waaronder het besluit in primo tot stand is gekomen. Het kan namelijk goed zijn dat met het besluit in primo op zichzelf niets mis was, maar het bestuursorgaan over nieuwe informatie beschikt of tot een andere beleidsafweging is gekomen – zonder dat de eerdere afweging per se onrechtmatig was.17 Dat past in mijn benadering: ten tijde van het nemen ervan was zo’n besluit conform het recht. Het overheidslichaam heeft dus zijn zorgvuldigheidsplicht vervuld.
238. We zagen in §5.2.2.1 dat de onrechtmatigheid van een onjuiste aanvraaghonorering of -weigering door een onbevoegd orgaan zich lastig laat verklaren. De zorgvuldigheidsnorm lost dit op. Op het overheidslichaam rust de plicht dat het bevoegde orgaan binnen het overheidslichaam op de aanvraag beslist en daartoe zo nodig wordt doorgestuurd aan het ter zake bevoegde bestuursorgaan.18 Die verplichting ligt ook besloten in art. 2:3 Awb en art. 6:15 Awb: een bestuursorgaan moet geschriften resp. bezwaren tot behandeling waarvan een ander bestuursorgaan bevoegd is onverwijld doorsturen naar het bevoegde bestuursorgaan.19 Daaronder valt ook een aanvraag tot het nemen van een begunstigend besluit.20
239. De zorgvuldigheidsnorm biedt nog voldoende ruimte voor toepassing van art. 6:101 BW. Het feit dat de overheid op de aanvraag rechtsconform moet beslissen, betekent nog niet dat een aanvrager er zonder meer op mag vertrouwen dat een nog herroepelijk besluit in bezwaar in stand blijft. Dat vertrouwen is – allerhande toezeggingen daargelaten – als uitgangspunt pas gerechtvaardigd na het verstrijken van de bezwaar- of beroepstermijn dan wel na een tevergeefs bezwaar of beroep. Het besluit kan immers soms alsnog worden herroepen of vernietigd op grond van bijvoorbeeld (door derden aangedragen) informatie die het bestuursorgaan ten tijde van het nemen van het besluit niet kende of behoorde te kennen. Wie toch op basis van een vergunning handelt, doet dat daarom als uitgangspunt voor eigen risico.
De relativiteitsdiscussie richt zich dus in deze benadering op het beschermingskarakter van deze algemene zorgvuldigheidsplicht. §8.3 gaat daarop uitvoerig in.
Onderscheid beslissen op aanvraag conform het recht en daarop tijdig beslissen
240. De norm dat het overheidslichaam rechtsconform bij besluit in primo moet beslissen op een aanvraag staat los van de uit art. 4:13 Awb voortvloeiende verplichting daarop te beslissen binnen de wettelijke beslistermijn. De enkele schending van de beslistermijn leidt volgens de Hoge Raad nog niet tot aansprakelijkheid.21 Volgens de Hoge Raad strekt de wettelijke beslistermijn ertoe het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De norm strekt volgens de Hoge Raad niet ertoe te beschermen tegen schade die kan ontstaan bij het uitblijven van een beslissing binnen die termijn. Voor aansprakelijkheid wegens het niet tijdig nemen van een besluit zijn steeds extra omstandigheden vereist. De Hoge Raad aanvaardt hier aansprakelijkheid dus slechts binnen de grenzen van de algemene ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.
241. In de literatuur is er, mijns inziens terecht, op gewezen dat dit relativiteitsoordeel een rechtspolitiek tintje heeft. De Hoge Raad zal hebben gevreesd voor te ruime aansprakelijkheid.22 In §2.5 verdedigde ik dat de rechter binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht zulke rechtspolitieke beslissingen op zich mag nemen, mits de uitleginstrumenten geen duidelijk antwoord bieden – zoals bij de beslistermijn het geval is –23 en de rechter zijn beslissing voldoende motiveert. Diezelfde eis stelde ik aan de onderzoeker. Dat verplicht mij dus tot een nadere motivering waarom de door mij voorgestelde norm conform het recht te beslissen moet worden onderscheiden van de niet tegen schade beschermende plicht binnen de wettelijke beslistermijn te beslissen, althans de door mij voorgestelde norm niet strekt tot bescherming tegen schade wegens termijnoverschrijding.
242. Het verzuim op een aanvraag conform het recht te beslissen, levert in mijn benadering direct onrechtmatigheid en toerekenbaarheid op. Het nemen van een rechtsconform besluit kan naar mate de kwestie ingewikkelder wordt meer tijd in beslag nemen dan de wettelijke termijn. Dat is begrijpelijk. De wettelijke termijn neemt naar zijn aard namelijk een min of meer gemiddeld geval tot uitgangspunt. Wie de overheid verplicht op een aanvraag meteen bij besluit in primo rechtsconform te beslissen, moet volgens mij ook de overheid de tijd gunnen aan die plicht te voldoen. Bij bovengemiddeld ingewikkelde gevallen kan dat langer duren dan de wettelijke termijn.
243. De verplichting rechtsconform te beslissen en het vereiste een besluit te nemen binnen de wettelijke termijn zijn dus in zekere zin communicerende vaten. Wie wil dat de overheid steeds snel beslist, mag niet verwachten dat alles steeds klopt. Wie de overheid de tijd gunt, mag aan het resultaat ook hoge eisen stellen. Het bestuursrecht biedt in dit kader ook enkele instrumenten aan de burger om de besluitvorming te versnellen, zoals het bezwaar tegen een fictieve weigering (art. 6:12 Awb) en het vorderen van een dwangsom (art. 4:17 Awb). In dat licht acht ik het aanvaardbaar dat voor aansprakelijkheid wegens te trage besluitvorming pas ruimte bestaat als het overheidslichaam in de concrete omstandigheden van het geval te veel tijd neemt voor zijn beslissing of anderszins zonder goede reden vertragend handelt.