Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.9.4:3.9.4 Welk stadium de belangenafweging vergt is ongewis
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.9.4
3.9.4 Welk stadium de belangenafweging vergt is ongewis
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196969:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[118] Een ondubbelzinnig antwoord op de vraag, of de belangenafweging moet plaatsvinden bij de beslissing of een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen dan wel bij de keuze van een concrete voorziening, valt uit de besproken drie beschikkingen niet te destilleren.
Uit de overwegingen in de Skygate zaak lijkt de voorzichtige conclusie te kunnen worden getrokken dat de belangenafweging moet plaatsvinden bij de keuze voor de voorziening. De uitspraak van de Hoge Raad inzake ABN Amro wijst duidelijker in die richting. De conclusie van de Advocaat-Generaal voor DSM geeft geen uitsluitsel. Daarin kunnen aanwijzingen worden gelezen voor een bij de of-vraag vereiste belangenafweging, maar ook signalen dat bij de selectie van een specifieke onmiddellijke voorziening een afweging van belangen moet worden gemaakt. Ook de beschikking van de Hoge Raad in de zaak DSM biedt nauwelijks aanknopingspunten voor beantwoording van deze vraag. Met enige moeite kan in die beschikking steun worden gevonden voor de slotsom dat in elk geval de beslissing, óf een ordemaatregel op zijn plaats is, aan een belangenafweging onderhevig moet zijn.