Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.3.10:4.3.10 Rechtspositie concurrente schuldeisers
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.3.10
4.3.10 Rechtspositie concurrente schuldeisers
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS441222:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het akkoord in de surseance van betaling van Den Holder BV roept een aantal vragen op met betrekking tot de rechtspositie van de concurrente schuldeisers. Den Holder BV heeft conform de verplichting uit het akkoord de boedel overgedragen aan de stichting. Kunnen de concurrente schuldeisers Den Holder nu nog aanspreken, indien zij menen dat de stichting hun belangen niet of niet naar behoren behartigt? Hebben de concurrente schuldeisers nog het recht ontbinding van het akkoord te vorderen ex art. 165 Fw, indien de stichting de verplichtingen uit het akkoord niet nakomt? De vraag is of rechten van de concurrente schuldeisers die krachtens de wet aan hen zijn toegekend, in een akkoord kunnen worden uitgesloten dan wel worden beperkt.
Door de overdracht van de boedel aan de stichting heeft Den Holder BV aan haar verplichting uit het akkoord voldaan, waardoor zij niet langer door de concurrente schuldeisers kan worden aangesproken ter zake van wanprestatie of ontbinding. Dit betekent dat in het geval het akkoord niet of niet behoorlijk door de stichting wordt nagekomen, de concurrente schuldeisers evenmin ontbinding van het akkoord ex art. 165 Fw kunnen vorderen.1 In het akkoord is immers overeengekomen dat de stichting de afgestane boedel liquideert en verdeelt. De schuldeisers zijn daaraan gebonden en daarmee is de stichting het enige aanspreekpunt van de concurrente schuldeisers geworden in geval van niet of onbehoorlijke nakoming. Tussen de stichting en de concurrente schuldeisers gelden derhalve de gewone regels van het contractenrecht en het rechtspersonenrecht. Daarnaast wordt de rechtsverhouding tussen de stichting en de concurrente schuldeisers mede bepaald door de overeenkomst en de statuten van de stichting.
Hoewel het ontbindingsrecht van art. 165 Fw in het kader van een overdracht van de boedel aan een derde niet langer door de concurrente schuldeisers kan worden ingeroepen, blijft de vraag relevant of in een akkoord rechten kunnen worden uitgesloten die krachtens de Faillissementswet aan de concurrente schuldeisers zijn toegekend. Bedacht dient immers te worden dat een akkoord geen vrijbrief kan zijn voor het beknotten van rechten van de concurrente schuldeisers waarop zij op grond van de Faillissementswet aanspraak kunnen maken. Voor ieder tot stand te komen akkoord geldt in verband met aard, doel en strekking een aantal randvoorwaarden. Een akkoord is op de eerste plaats een regeling tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers over de mate waarin en de wijze waarop hun aanspraken op de schuldenaar in verband met de toestand van zijn boedel kunnen worden gehonoreerd. Een akkoord heeft derhalve betrekking op de boedel van de schuldenaar. De regeling tussen schuldenaar en schuldeisers wordt enerzijds beheerst door de dwingendrechtelijke regels van de Faillissementswet. Anderzijds is een akkoord ook een overeenkomst, waardoor in een akkoord in beginsel allerlei afspraken kunnen worden gemaakt, dus ook afspraken die niet de boedel van de schuldenaar betreffen. Hoewel deze bedingen rechtsgeldig overeen te komen zijn, kunnen zij evenwel niet onder het bereik van art. 157 Fw worden gebracht. Dat zou immers niet stroken met het uitzonderingskarakter van art. 157 Fw.2 Tegenstemmers en degenen die niet in het faillissement zijn opgekomen, zijn derhalve in beginsel niet aan dergelijke bedingen in een akkoord gebonden.
Het voorgaande betekent dat in beginsel het ontbindingsrecht van art. 165 Fw niet in een akkoord kan en mag worden uitgesloten. Art. 165 lid 1 Fw strekt tot bescherming van de concurrente schuldeisers bij niet-nakoming van het akkoord door de schuldenaar, is van openbare orde en er kan derhalve niet van worden afgeweken.3 Heeft het voorgaande ook te gelden in de bovengenoemde situatie dat de afgestane boedel aan een derde wordt overgedragen? Ik meen van niet. Hoewel door een overdracht van de boedel de concurrente schuldeisers geen beroep meer kunnen doen op art. 165 Fw, is deze situatie toch een andere, aangezien er bij een overdracht geen sprake is van een uitsluiting van art. 165 lid 1 Fw in die zin dat de concurrente schuldeisers zich in geval van niet-nakoming tot niemand kunnen wenden. In het geval van een overdracht kunnen de concurrente schuldeisers degene die op grond van het akkoord verplicht is voor liquidatie van de boedel zorg te dragen, aanspreken indien hij zijn verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.