Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.4.10
9.8.4.10 Synthese
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381856:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 mei 2015, JOR 2015/350 m.nt. Van Maanen (P.c.s./X c.s.), r.o. 3.4.3.
De norm dat (kort gezegd) de advocaat zijn cliënt niet onnodig een voorzienbaar juridisch risico mag laten lopen, is in eerdere arresten aanvaard voor processuele rechtshandelingen van de advocaat, zoals het indienen van een mogelijkerwijs niet ontvankelijk verzoek (HR 2 april 1982, NJ 1983/367 en HR 29 november 1991, NJ 1992/808).
Zie Bartman en Holtzer (2010), p. 79, met verwijziging naar de Commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap van de Sociaal-Economische Raad, Notitie consultatief overleg medezeggenschap 21 september 2009, p. 4 en 10 en het Kabinetsstandpunt Medezeggenschap 2009, p. 3.
Kabinetsstandpunt Medezeggenschap (2009), p. 18.
Van Beurden, e.a. (2009), p. 35.
Van Beurden, e.a. (2009), p. 28.
Bartman en Holtzer (2010), p. 79.
In de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wet Cliëntenrechten zorg, de Pensioenwet en de nieuwe Woningwet komt dit onderwerp in ieder geval niet aan de orde.
Het belangrijkste argument van de wetgever om de ondernemingsraad geen enquêterecht toe te kennen is het ontbreken van een waarborg tegen lichtvaardig gebruik. Dit argument hangt samen met de omstandigheid dat de ondernemingsraad rechtspersoonlijkheid ontbeert, waardoor hij geen voor uitwinning vatbaar vermogen heeft en niet in de kosten kan worden veroordeeld. Ik meen dat het steeds aanhalen van deze omstandigheid praktische relevantie mist, nu een kostenveroordeling in het enquêterecht nimmer is uitgesproken. De vrees dat de ondernemingsraad (te) lichtvaardig gebruik zal maken van het enquêterecht deel ik evenmin. De ervaringen met het gebruik van het beroepsrecht op grond van de WOR zijn van dien aard, dat het niet de verwachting is dat de ondernemingsraad veelvuldig of te lichtvaardig gebruik zal maken van het enquêterecht. De norm misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) en de toewijzingseis voor een enquêteverzoek – de gegronde redenen – bieden een waarborg tegen lichtvaardig gebruik. De beroepsaansprakelijkheid van een door de ondernemingsraad ingeschakelde procesvertegenwoordiger vormt mijns inziens ook adequate een waarborg tegen lichtvaardige enquêteverzoeken. Wanneer de procesvertegenwoordiger de ondernemingsraad adviseert over het al dan niet indienen van een enquêteverzoek, brengt diens zorgvuldigheidsplicht mee dat hij de ondernemingsraad in staat moet stellen goed geïnformeerd te beslissen.1 Die zorgvuldigheidsplicht houdt in dat hij de ondernemingsraad “niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s”, zoals het indienen van een mogelijkerwijs niet-toewijsbaar verzoek.2
De ontwikkelingen op het gebied van medezeggenschapsrecht laten voorts zien dat de positie van de ondernemingsraad in Nederland is veranderd: de ondernemingsraad is volwassen geworden en verzelfstandigd. Hij heeft inmiddels een vaste plaats in de onderneming en geniet een breed maatschappelijk draagvlak. Dit laatste bevestigt onder meer de SER-commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap in zijn Notitie consultief overleg medezeggenschap 2009. De SER-commissie is van mening dat de ondernemingsraad/PVT een bekend en gewaardeerd fenomeen is en dat deze medezeggenschapsvorm als zodanig niet ter discussie staat. Wel adviseert de commissie om de ondernemingsraad bij grotere ondernemingen meer te betrekken bij de strategische en operationele besluitvorming, zodat een accentverschuiving van medezeggenschap naar strategisch niveau plaatsvindt en het draagvlak voor de invloed van werknemers op dat niveau groter wordt. Ook uit het Kabinetsstandpunt Medezeggenschap 2009 blijkt dat het algemene beeld van de medezeggenschap in Nederland positief is.3 Het kabinet constateert dat de WOR in de praktijk naar behoren werkt en ‘de medezeggenschap volwassen is en de mensen die hun tijd geven aan de medezeggenschap als ondernemingsraad-lid of ondersteunend bij de medezeggenschap zijn betrokken een grote verantwoordelijkheidszin hebben’.4 Gelet op dit laatste vraag ik me af of de vrees van de wetgever voor lichtvaardig gebruik van het enquêterecht door de ondernemingsraad gerechtvaardigd is. Volgens een onderzoek uit 2009 naar de onderbenutting van medezeggenschapsbevoegdheden gaan ondernemingsraden voor het beslechten van een geschil niet vaak naar de OK en gaat er een preventieve werking uit van de mogelijkheid tot het voeren van de procedure.5 Een eigen enquêterecht voor de ondernemingsraad zou op zichzelf dus al een preventieve werking kunnen hebben.6 Bartman en Holtzer merken bovendien terecht op dat een eigen enquêterecht aansluit bij de wens van de SER-commissie om de ondernemingsraad meer bij de strategische besluitvorming van de onderneming te betrekken.7
De keuze van de minister om de ondernemingsraad geen enquêterecht toe te kennen, strookt daarnaast niet met de wijzigingen binnen sectorale wetgeving. Inmiddels beschikken andere medezeggenschapsorganen zoals de cliëntenraden bij zorginstellingen, het verantwoordingsorgaan bij pensioenfondsen en de huurdersorganisaties bij woningcorporaties over de enquêtebevoegdheid. Bij de toekenning van de enquêtebevoegdheid aan deze medezeggenschapsorganen, die evenmin beschikken over rechtspersoonlijkheid en een voor uitwinning vatbaar vermogen, speelt het argument van lichtvaardig gebruik geenszins.8 De enquêtebevoegdheid komt daarmee toe aan partijen die lang niet beschikken over de (proces)ervaring waarover de ondernemingsraad beschikt.
Betrek ik bij het voorgaande de omstandigheid dat de ondernemingsraad door zijn nauwe betrokkenheid bij de onderneming in een uitstekende positie verkeert om vroegtijdig problemen binnen de onderneming te onderkennen, de vakbonden weinig gebruikmaken van het enquêterecht, de A-G niet snel zal optreden voor werknemersbelangen en dat de ondernemingsraad mogelijk wanbeleid van het bestuur en dat van de aandeelhouders niet ter discussie kan stellen zonder een eigen wettelijk enquêterecht, dan kom ik tot de conclusie dat de voordelen van de toekenning van het enquêterecht aan de ondernemingsraad voldoende opwegen tegen de nadelen. Het aantal medezeggenschapsorganen met enquêtebevoegdheid is de afgelopen jaren bovendien zodanig uitgebreid, dat die bevoegdheid niet langer de aan de ondernemingsraad kan worden onthouden.