Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/III.2.1.2
III.2.1.2 De voorgeschiedenis: bij of krachtens de statuten
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242816:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De eerste volzin van art. 2:129a/239a lid 1 BW van het voorontwerp luidde als volgt: “Bij de statuten kan worden bepaald dat bestuurstaken worden verdeeld over één of meer algemene bestuurders en één of meer uitvoerende bestuurders.” Zie Bundel NV en BV, p. XIv.1-XIv.30.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 2, p. 2-3.
Idem Van Olffen 2009, p. 32.
Commentaar van CMS Derks Star Busmann op het voorontwerp aanpassing bestuur en toezicht in NV’s en BV's, p. 9.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 2, p. 2-3.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 3 (MvT).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 2 (Verslag).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 2-3 en 14 (NV).
Op 1 januari 2013 trad de Wet bestuur en toezicht in werking. Zie Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275. De inwerkingtreding op 1 januari 2013 volgt uit het Besluit van 4 oktober 2012, gepubliceerd in Stb. 2012, 455. Voor een bespreking van de totstandkomingsgeschiedenis van de wet verwijs ik naar § II.4.
De regeling dat de instelling van het monistische bestuursmodel een statutaire grondslag behoeft, kwam al in het voorontwerp van de Wet bestuur en toezicht ten tonele.1 De redactie week daarmee niet veel af van de formulering van de eerste volzin van het uiteindelijke art. 2:129a/239a lid 1 BW.
De eis van de statutaire basis keerde echter niet terug in het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht.2 Een mogelijke verklaring voor deze wijziging is te vinden in het commentaar van CMS Derks Star Busmann op het consultatiedocument.3 Het advocatenkantoor vroeg zich af waarom het voorontwerp voor vennootschappen met een monistisch bestuursmodel de beperking bevatte dat de taken slechts ‘bij de statuten’ kunnen worden verdeeld, terwijl uit art. 2:9 lid 1 BW uit het voorontwerp bleek dat een taakverdeling ook ‘krachtens de statuten’ mogelijk is.4 Toenmalig minister Hirsch Ballin paste de formulering van art. 2:129a/239a lid 1 BW aan. Hij veranderde de woorden ‘bij de statuten’ in ‘bij of krachtens de statuten’.5 De toelichting leert dat de term ‘krachtens’ is toegevoegd opdat de taakverdeling niet alleen in de statuten, maar ook bij reglement of bestuursbesluit tot stand kan komen.6
Deze wijziging viel niet in goede aarde bij de leden van de CDA-fractie. Zij constateerden dat de instelling van de one tier board door de gewijzigde formulering bij bestuursbesluit of reglement kon plaatsvinden, mits de statuten uiteraard in die mogelijkheid zouden voorzien. De fractieleden stelden om die reden voor de term ‘krachtens’ in het voorgestelde art. 2:129a/239a lid 1 BW te schrappen.7 Hirsch Ballin omarmde dit idee. Zoals gezegd, was het motief voor de toevoeging van de term ‘krachtens’ dat de uitwerking van het monistische bestuursmodel ook vorm zou kunnen krijgen in een bestuursbesluit of reglement. Met de wijziging beoogde hij niet de statutaire grondslag aan de invoering van het monistische bestuursmodel te ontnemen. De keuze voor de one tier board is volgens de toenmalige minister zodanig ingrijpend dat de algemene vergadering daarover moet beslissen.8 Hirsch Ballin draaide de mogelijkheid om het monistische bestuursmodel krachtens de statuten in te stellen daarom terug. De keuze voor een one tier board moest in de statuten zelf staan.
De wijziging hield gedurende het wetgevingsproces stand. Sinds 1 januari 2013 bepaalt art. 2:129a/239a lid 1 BW dat de statuten kunnen bepalen dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer uitvoerende en één of meer nietuitvoerende bestuurders.9